ECLI:NL:RBZWB:2025:6672

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
11446957 CV EXPL 24-4206
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incassovordering toegewezen ondanks betwisting verrekening en onrechtmatigheid

In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van acht facturen ter hoogte van €7.770 voor kluswerkzaamheden na het einde van zijn dienstverband bij gedaagde. Gedaagde stelt een tegenvordering van €6.500 in en beroept zich op verrekening vanwege vermeende onrechtmatige handelingen door eiser.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet slaagt in zijn bewijsverplichting om onrechtmatigheid en schade aan te tonen. Foto’s die eiser maakte en op sociale media verschenen, leiden niet tot schadevaststelling. Ook andere verwijten zoals verduistering van materiaal en gebruik van een bus worden verworpen, mede omdat toestemming voor gebruik van de bus is gegeven.

De incassovordering wordt toegewezen, inclusief wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten tot het wettelijk toegestane bedrag. De tegenvordering wordt afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €8.533,50 plus wettelijke handelsrente en proceskosten; tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11446957 \ CV EXPL 24-4206
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[naam] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[B.V.] , H.O.D.N. [bedrijf 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
procederend in persoon.

1.Hoe is de procedure verlopen?

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 januari 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[partij 1] was tot halverwege 2023 in dienst bij [partij 2] . Nadat zijn dienstverband was geëindigd, heeft hij op basis van een overeenkomst van opdracht kluswerkzaamheden voor [partij 2] uitgevoerd. Voor de werkzaamheden die hij in juni en juli 2023 verrichtte, heeft [partij 1] acht facturen naar [partij 2] gestuurd. In deze procedure vordert [partij 1] betaling van deze facturen ter hoogte van in totaal € 7.770,00. Ook vordert hij betaling van rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [partij 1] wil dat deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [1] [partij 2] vindt dat hij de facturen niet hoeft te betalen, omdat hij een tegenvordering van € 6.500,00 heeft die hij wil verrekenen. [partij 2] heeft daarom ook een tegenvordering ingesteld tot betaling van € 6.500,00.
De kantonrechter oordeelt dat het beroep van [partij 2] op verrekening niet slaagt. [partij 2] dient de facturen van [partij 1] te voldoen en de vordering van [partij 1] wordt dan ook toegewezen. De tegenvordering van [partij 2] wordt afgewezen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3.Wat oordeelt de kantonrechter?

3.1.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering en reconventie zullen deze samen worden beoordeeld.
Verrekening
3.2.
Omdat [partij 2] op zichzelf niet betwist dat hij de facturen moet betalen, betekent dit in beginsel dat de kantonrechter hem daartoe veroordeelt, tenzij het beroep op verrekening slaagt. [partij 2] stelt dat [partij 1] onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij daardoor schade heeft geleden. Op grond van de wet [2] is het aan [partij 2] om zijn stellingen te onderbouwen en zo nodig te bewijzen. [partij 2] is daarin niet geslaagd.
Foto’s op sociale media
3.3.
Het staat vast dat [partij 1] foto’s heeft gemaakt tijdens een klus voor [partij 2] en dat deze foto’s, voorzien van de naam van een ander bedrijf, vervolgens op sociale media zijn geplaatst. Of [partij 1] deze foto’s heeft geplaatst en of het doel was om klanten van [partij 2] ‘af te pakken’, kan in het midden blijven. [partij 2] heeft namelijk niet gesteld of onderbouwd dat en zo ja, hoeveel, schade hij hierdoor zou hebben geleden. Nergens blijkt uit dat door die foto’s klanten niet voor [partij 2] , maar voor Focus Afbouw en Renovatie (of voor [partij 1] ) hebben gekozen. Bovendien heeft Focus Afbouw en Renovatie de foto’s kort nadat zij hierop is aangesproken door [partij 2] , verwijderd.
Overige verwijten
3.4.
Volgens [partij 2] heeft [partij 1] bovendien materiaal van hem verduisterd, zijn bus gebruikt en klanten van hem afgepakt. Dat [partij 1] op deze punten onrechtmatig heeft gehandeld, is echter niet vast komen te staan. Voor het gebruik van de bus geldt dat [partij 2] tijdens de zitting heeft verklaard dat hij het goed vond dat [partij 1] zijn bus gebruikte, maar dat hij achteraf, toen hij zich belazerd voelde, dat niet goed meer vond. Dit betekent dat [partij 1] met toestemming van [partij 2] de bus gebruikte en [partij 1] dus niet onrechtmatig heeft gehandeld. Datzelfde geldt voor de adviezen die [partij 2] aan [partij 1] gaf over te hanteren prijzen; de omstandigheid dat [partij 1] opdrachten bij klanten zou hebben gekregen die eerder klant waren bij [partij 2] , is op zichzelf niet onrechtmatig. Tot slot geldt voor het materiaal dat [partij 1] betwist dat hij materialen van [partij 2] heeft verduisterd. [partij 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij alle spullen heeft teruggegeven. Bij die stand van zaken had [partij 2] concreter moeten onderbouwen welk materiaal hij aan [partij 1] had uitgeleend en welk materiaal [partij 1] vervolgens niet heeft teruggegeven, terwijl hij wel om teruggave van die specifieke materialen heeft verzocht.
Nevenvorderingen
3.5.
[partij 1] vordert daarnaast dat [partij 2] wordt veroordeeld tot het betalen van rente en buitengerechtelijke incassokosten. Hij baseert deze vordering in de eerste plaats op de algemene voorwaarden. [partij 1] heeft deze algemene voorwaarden echter niet overgelegd. Dit betekent dat [partij 1] op dit punt onvoldoende heeft gesteld. De kantonrechter zal deze vordering daarom beoordelen op basis van de wet in plaats van de algemene voorwaarden.
3.6.
[partij 2] is in verzuim, wat betekent dat hij zijn betalingsverplichting niet op tijd is nagekomen. Omdat het hier om een handelsovereenkomst gaat, moet [partij 2] de wettelijke handelsrente [3] betalen vanaf de respectieve vervaldata totdat de volledige vordering is voldaan.
3.7.
De buitengerechtelijke incassokosten zijn ook toewijsbaar, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende. [partij 2] is door [partij 1] in gebreke gesteld en verzocht de facturen alsnog te betalen, zoals de wet dat voorschrijft. Het gevorderde bedrag aan incassokosten moet vervolgens worden getoetst aan het Besluit buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit). Het bedrag dat [partij 1] vordert is hoger dan waar dit besluit recht op geeft. Daarom worden de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot het bedrag dat volgens het besluit is toegestaan, namelijk € 763,50.
Kortom
3.8.
[partij 2] zal (€ 7.770,00 + € 763,50 =) € 8.533,50, vermeerderd met wettelijke handelsrente over € 7.770,00 vanaf de respectieve vervaldata tot de dag van volledige betaling aan [partij 1] moeten betalen, waartoe hij dan ook wordt veroordeeld. De vordering in conventie wordt in zoverre toegewezen. De vordering in reconventie wordt afgewezen.
De proceskosten in conventie
3.9.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- salaris gemachtigde
271,00
- griffierecht
248,00
- verletkosten
50,00
Totaal
684,22
De proceskosten in reconventie
3.10.
[partij 2] heeft in reconventie ongelijk gekregen. Hij zal daarom in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De proceskosten van [partij 1] worden vastgesteld op nul.

4.Wat is de beslissing?

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 8.533,50, vermeerderd met wettelijke handelsrente over € 7.770,00 vanaf de respectieve vervaldata tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 684,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.5.
wijst de vorderingen van [partij 2] af,
4.6.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten, aan de zijde van [partij 1] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in het vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
2.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek.