ECLI:NL:RBZWB:2025:6648

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 september 2025
Publicatiedatum
4 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439721 / JERK 25-1655 en C/02/439917 / JERK 25-1686
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing baby met non-accidenteel letsel

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 22 september 2025 twee gelijktijdige zaken betreffende een baby die non-accidenteel letsel heeft opgelopen. De Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Jeugdbescherming Brabant verzochten om verlenging van een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, de vader heeft het kind niet erkend. Uit medisch onderzoek bleek dat de baby meerdere genezende botfracturen heeft, waarvan het tijdspad en de oorzaak nader onderzocht worden. Het letsel wordt door artsen als toegebracht beschouwd. De veiligheid van het kind bij de moeder is daardoor ernstig in het geding.

De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de uithuisplaatsing. Zij betwist dat het letsel non-accidenteel is en wijst op het ontbreken van concreet bewijs. De rechtbank oordeelt echter dat er voldoende aanwijzingen zijn voor een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind en dat de maatregelen noodzakelijk zijn om zijn veiligheid te waarborgen.

De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden daarom verlengd tot 12 december 2025. Het kind verblijft momenteel in een pleeggezin waar hij relatief rustig is. De rechtbank benadrukt het belang van nader onderzoek en goede communicatie tussen alle betrokken partijen, met het oog op een mogelijke terugplaatsing en het behoud van de hechtingsrelatie met de moeder.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de baby worden verlengd tot 12 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/02/439721 / JE RK 25-1655 en C/02/439917 / JE RK 25-1686
Datum uitspraak: 22 september 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
verzoeker in de zaak met zaaknummer C/02/439721 / JE RK 25-1655,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Helmond,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
verzoekster in de zaak met zaaknummer C/02/439917 / JE RK 25-1686,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende in de zaken aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. S. Gerrits uit Eindhoven.
De kinderrechter merkt in de zaak C/02/439721 / JE RK 25-1655 ook als belanghebbende aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Helmond,
hierna te noemen de GI.
De kinderrechter merkt als informant in de zaken aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
met een briefadres in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven in [plaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedures

C/02/439721 / JE RK 25-1655
1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van 12 september 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het stelbericht van mr. Gerrits van 22 september 2025.
C/02/439917 / JE RK 25-1686
1.2.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van 18 september 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het gewijzigde verzoekschrift van de GI van 19 september 2025, ontvangen op
19 september 2025.
1.3.
De zaken zijn gelijktijdig tijdens de zitting van 22 september 2025 met gesloten deuren door de kinderrechter behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie van de ouders is [minderjarige] geboren.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] niet erkend.
2.3.
[minderjarige] verbleef sinds 8 augustus 2025 samen met de moeder op de [groep] van Sterk Huis. Met ingang van 12 september 2025 is [minderjarige] opgenomen geweest in het [ziekenhuis] in [geboorteplaats] .
2.4.
Bij mondelinge spoedbeslissing van de kinderrechter van 12 september 2025 in de zaak met zaaknummer C/02/439721 / JE RK 25-1655 is [minderjarige] , zonder de belanghebbenden te hebben gehoord, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 september 2025 tot 26 september 2025. Deze mondelinge beslissing is schriftelijk uitgewerkt op
15 september 2025 waarbij, onder aanhouding van de behandeling van het verzoek van de Raad voor het overige, is bepaald dat de Raad, de GI, de moeder en de vader op de onderhavige zitting in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het verzoek.
2.5.
Bij mondelinge spoedbeslissing van de kinderrechter van 18 september 2025 in de zaak met zaaknummer C/02/439917 / JE RK 25-1686 is, zonder de belanghebbenden te hebben gehoord, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 18 september 2025 tot 26 september 2025. Deze mondelinge beslissing is schriftelijk uitgewerkt op 19 september 2025 waarbij, onder aanhouding van de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige, is bepaald dat de GI en de moeder (en haar advocaat) op de onderhavige zitting in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het verzoek en dat alle betrokkenen voor deze zitting dienen te worden opgeroepen.
2.6.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging op dit moment in een pleeggezin.

3.De verzoeken

C/02/439721 / JE RK 25-1655
3.1.
Ter beoordeling ligt voor of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven om voormelde spoedbeslissing van 12 september 2025 met ingang van heden te herroepen.
3.2.
Daarnaast ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek van de Raad tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van 26 september 2025 tot 12 december 2025.
C/02/439917 / JE RK 25-1686
3.3.
Ter beoordeling ligt voor of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven om voormelde spoedbeslissing van 18 september 2025 met ingang van heden te herroepen.
3.4.
Daarnaast ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het (gewijzigde) verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van 26 september 2025 tot 12 december 2025.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft tijdens de zitting het (resterende) verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] gehandhaafd. Er bestaat een ernstig vermoeden dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. Er is sprake van een heel zorgelijke situatie. [minderjarige] is nog heel jong en daardoor een zeer kwetsbare baby. Bij [minderjarige] is bij eerder onderzoek behoorlijk fors letsel vastgesteld. Vorige week is nieuw letsel geconstateerd. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. Belangrijk is dat door middel van nader onderzoek uitsluitsel komt over (de omvang van) het letsel van [minderjarige] en wanneer dit is ontstaan. Met de veiligheid van [minderjarige] mag geen enkel risico worden genomen. Gelet hierop, en de omstandigheid dat recent nieuw letsel bij [minderjarige] is vastgesteld dat bij eerder onderzoek niet is waargenomen, ondersteunt de Raad het verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg.
4.2.
De GI heeft tijdens de zitting het (resterende) verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg gehandhaafd. Bij de plaatsing van de moeder en [minderjarige] op de [groep] van Sterk Huis is op 8 augustus 2025 preventief een skeletstatus bij [minderjarige] afgenomen vanwege een blauw plekje op zijn lichaam. Op 22 augustus 2025 is een herhaalde skeletstatus bij [minderjarige] afgenomen. Beide onderzoeken zijn door het LECK beoordeeld, waarbij herstellende botfracturen bij [minderjarige] zijn geconstateerd. Op 17 september 2025 heeft het ziekenhuis de resultaten van de tweede skeletstatus herbeoordeeld. Het ziekenhuis heeft toen aanvullend letsel bij [minderjarige] vastgesteld, waaronder een genezende ribfractuur. Deze fractuur lijkt een ander tijdspad van heling te volgen dan de andere, eerder bij [minderjarige] , waargenomen fracturen. Het LECK gaat, mede als gevolg hiervan, nader onderzoek verrichten. Op 26 september 2025 staat een nieuwe skeletstatus gepland en afgelopen vrijdag 19 september 2025 is opnieuw in het ziekenhuis een MRI-scan van [minderjarige] gemaakt. De uitslag van deze scan en de beoordeling hiervan door het LECK is nog niet bekend. Belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het precieze letsel van [minderjarige] en de periode waarin het letsel is ontstaan. Met het nieuwe geconstateerde letsel is niet uit te sluiten dat de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder, ondanks de strikte veiligheidsvoorwaarden die gelden binnen Sterk Huis, in het geding is. Dit maakt naast een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk, temeer nu door de artsen is vastgesteld dat bij [minderjarige] sprake is van non-accidenteel letsel, of wel toegebracht letsel. Het bij [minderjarige] waargenomen letsel past niet bij zijn leeftijd en daarmee samenhangende beweeglijkheid noch kan dit zijn ontstaan door het afrollen van [minderjarige] van de borst van de moeder, dat volgens de moeder eenmalig zou zijn gebeurd. Er moet op [minderjarige] druk zijn uitgeoefend voor het ontstaan van de botfracturen. Het gaat met [minderjarige] naar omstandigheden goed in het huidige pleeggezin. Hij drinkt en slaapt goed en lijkt weinig last te hebben van de botfracturen. In de avonden laat [minderjarige] wel wat onrustig gedrag zien. Op dit moment worden de uitkomsten van het nadere onderzoek dat door het LECK wordt verricht afgewacht. Daarna zal worden beoordeeld of een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder tot de mogelijkheden behoort, en zo ja, dan zal hierop direct worden ingezet. Voor een goede hechtingsrelatie met de moeder is het belangrijk dat [minderjarige] contact heeft met zijn moeder. De plek van de moeder samen met [minderjarige] op de [groep] van Sterk Huis is nog niet vergeven. De moeder en [minderjarige] kunnen hier dan ook naar terugkeren op het moment dat dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht.
4.3.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de moeder kan instemmen met het verzoek van de Raad tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , maar niet met het verzoek van de GI tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. Tegen dit verzoek wordt verweer gevoerd. Er is geen sprake van een nieuwe situatie die een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zou rechtvaardigen. De moeder heeft zich met [minderjarige] laten opnemen op de [groep] van Sterk Huis. Zij is van begin af aan heel open en transparant geweest en heeft zich gehouden aan de veiligheidsafspraken. Er is geen concreet bewijs dat [minderjarige] niet veilig zou zijn bij de moeder. Dit blijkt in ieder geval niet uit het aanvullende onderzoek dat door het ziekenhuis op
17 september 2025 heeft plaatsgevonden. Alternatieve scenario’s voor het letsel dat bij [minderjarige] is waargenomen zijn niet nog onderzocht. Derhalve staat nog niet vast dat bij [minderjarige] sprake is van non-accidenteel letsel. Desondanks wordt de schuld meteen bij de ouders, en nu mogelijk zelfs alleen bij de moeder, gelegd. De moeder geeft duidelijk aan niets met het letsel te maken te hebben. Zij is van mening dat door de artsen fouten zijn gemaakt. Belangrijk is dat op zeer korte termijn duidelijkheid wordt verkregen over hoe het letsel bij [minderjarige] is ontstaan en niet zozeer het tijdspad waarin het letsel is ontstaan. De veiligheid van [minderjarige] op de [groep] van Sterk Huis, is met de strikte veiligheidsafspraken die gelden, voldoende gewaarborgd. De moeder houdt zich aan deze afspraken en werkt mee met de noodzakelijke geachte hulpverlening en onderzoeken. Het is belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat hij met de moeder een hechtingsrelatie kan aangaan. Een voorzetting van het verblijf van [minderjarige] samen met de moeder op de [groep] van Sterk Huis staat het nadere onderzoek dat door het LECK op dit moment verricht bovendien geenszins in de weg. De uithuisplaatsing van [minderjarige] is uiterst disproportioneel. [minderjarige] dient in zijn belang zo snel mogelijk herenigd te worden met de moeder.
4.4.
De vader heeft, ondanks dat hem daartoe de gelegenheid is geboden, tijdens de zitting niets naar voren gebracht over de voorliggende verzoeken.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
C/02/439721 / JE RK 25-1655
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een GI indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond zoals bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
C/02/439917 / JE RK 25-1686
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Wat vindt de kinderrechter?
C/02/439721 / JE RK 25-1655
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.5.
Er bestaan op dit moment voldoende aanwijzingen dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er hebben sinds de plaatsing van [minderjarige] samen met de moeder op de [groep] van Sterk Huis meerdere onderzoeken bij [minderjarige] plaatsgevonden, waarbij onder andere op 8 augustus 2025 en op 22 augustus 2025 een skeletstatus bij [minderjarige] is afgenomen. Bij deze beide onderzoeken is door het LECK letsel bij [minderjarige] waargenomen, te weten meerdere (genezende) botfracturen. Daarbij is door de artsen vastgesteld dat bij [minderjarige] sprake is van non-accidenteel letsel. Op 17 september 2025 heeft het ziekenhuis de tweede skeletstatus herbeoordeeld, waarbij - naast het eerder waargenomen letsel - aanvullend letsel bij [minderjarige] is vastgesteld. Er vindt op dit moment door het LECK nader onderzoek plaats naar het letsel, hoe dit letsel tot stand is gekomen en het tijdspad waarin het letsel is ontstaan. Gelet hierop en gezien de geschiedenis van de ouders waarbij de vader strafrechtelijk veroordeeld is voor ernstige mishandeling van hun oudere dochter [naam], kan niet anders worden geconstateerd dan dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] is een zeer jong kindje en is voor zijn zorg nog volledig afhankelijk van zijn verzorgers. Belangrijk is dat de GI betrokken blijft om de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] te monitoren.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het belangrijk is dat de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voortduurt. Er dient nader onderzoek te worden gedaan naar de zorgen en de vraag of er een verdere ondertoezichtstelling van [minderjarige] volgens de Raad aan de orde moet zijn. Het resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen zal daarom worden toegewezen. Hierin ligt voorts besloten dat de kinderrechter geen aanleiding ziet om de spoedbeslissing van 12 september 2025 met ingang van heden te herroepen. De kinderrechter laat deze spoedbeslissing aldus in stand.
5.7.
Het verzoek tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling zal worden afgewezen, omdat op grond van artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beslissing over voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening open staat dan cassatie in het belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is dan ook niet nodig.
C/02/439917 / JE RK 25-1686
5.8.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] ’s verzorging en opvoeding noodzakelijk is dat de uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg wordt voortgezet. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.9.
[minderjarige] is pas enkele maanden oud. Deze eerste maanden in het leven van [minderjarige] zijn belangrijk voor de hechting tussen hem en zijn ouders. De veiligheid van [minderjarige] dient echter voorop te staan. Gelet op de zorgen over zijn veiligheid, die zeer groot zijn, is het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat hij voorlopig in het pleeggezin kan blijven.
5.10.
De komende periode moet worden gebruikt om meer duidelijkheid te krijgen over de situatie van [minderjarige] , het bij hem waargenomen letsel en de mogelijkheden van de ouders. Er vindt nog nader onderzoek door het LECK plaats. Verder geldt dat een uithuisplaatsing in principe gericht is op een thuisplaatsing. Daarom moet duidelijk worden wat mogelijk is in het contact tussen [minderjarige] en zijn ouders, ook gezien het belang van hechting, en welke opvoedingsmogelijkheden de ouders hebben. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat de Raad en de GI voortvarend te werk gaan. Ook is het van belang dat de ouders en de Raad en de GI open met elkaar blijven communiceren, en dat de ouders goed worden meegenomen in de stappen die genomen (moeten) worden.
5.11.
Het voorgaande brengt mee dat de spoedbeslissing van 18 september 2025 naar het oordeel van de kinderrechter op goede gronden is genomen. De kinderrechter ziet dan ook geen aanleiding om deze beslissing met ingang van heden te herroepen en zal de beslissing aldus in stand laten. Daarnaast is het gezien de geschetste omstandigheden op dit moment in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zijn verblijf in het pleeggezin langer voortduurt. De kinderrechter zal het resterende deel van het (gewijzigde) verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling daarom toewijzen.
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak met nummer C/02/439721 / JE RK 25-1655:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 26 september 2025 tot 12 december 2025;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
In de zaak met nummer C/02/439917 / JE RK 25-1686:
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 september 2025 tot 12 december 2025.
6.4.
verklaart de beslissing onder 6.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2025 door
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 26 september 2025.