Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
ZEELAND-WEST-BRABANT,
1.Het verdere verloop van de procedures
19 september 2025.
2.De feiten
15 september 2025 waarbij, onder aanhouding van de behandeling van het verzoek van de Raad voor het overige, is bepaald dat de Raad, de GI, de moeder en de vader op de onderhavige zitting in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het verzoek.
3.De verzoeken
4.De standpunten
17 september 2025 heeft plaatsgevonden. Alternatieve scenario’s voor het letsel dat bij [minderjarige] is waargenomen zijn niet nog onderzocht. Derhalve staat nog niet vast dat bij [minderjarige] sprake is van non-accidenteel letsel. Desondanks wordt de schuld meteen bij de ouders, en nu mogelijk zelfs alleen bij de moeder, gelegd. De moeder geeft duidelijk aan niets met het letsel te maken te hebben. Zij is van mening dat door de artsen fouten zijn gemaakt. Belangrijk is dat op zeer korte termijn duidelijkheid wordt verkregen over hoe het letsel bij [minderjarige] is ontstaan en niet zozeer het tijdspad waarin het letsel is ontstaan. De veiligheid van [minderjarige] op de [groep] van Sterk Huis, is met de strikte veiligheidsafspraken die gelden, voldoende gewaarborgd. De moeder houdt zich aan deze afspraken en werkt mee met de noodzakelijke geachte hulpverlening en onderzoeken. Het is belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat hij met de moeder een hechtingsrelatie kan aangaan. Een voorzetting van het verblijf van [minderjarige] samen met de moeder op de [groep] van Sterk Huis staat het nadere onderzoek dat door het LECK op dit moment verricht bovendien geenszins in de weg. De uithuisplaatsing van [minderjarige] is uiterst disproportioneel. [minderjarige] dient in zijn belang zo snel mogelijk herenigd te worden met de moeder.
5.De beoordeling
6.De beslissing
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 26 september 2025.