ECLI:NL:RBZWB:2025:6565

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
11270909 \ CV EXPL 24-3029
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Badal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelvonnis betreffende opslagkosten in civiele verbintenissenrechtelijke zaak

In deze civiele bodemzaak tussen [partij 1] en [partij 2] heeft de kantonrechter op 17 september 2025 een herstelvonnis gewezen. Het herstelverzoek betrof het vonnis van 4 juni 2025, waarin een bedrag van €423,50 aan opslagkosten per abuis niet in het dictum was opgenomen.

De gemachtigde van [partij 2] verzocht op 21 augustus 2025 om herstel van dit vonnis, omdat het genoemde bedrag inclusief btw niet was vermeld. De wederpartij, [partij 1], heeft niet gereageerd op de mogelijkheid om zich over dit verzoek uit te laten.

De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig hersteld kon worden conform artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het vonnis is daarom hersteld en het bedrag van €423,50 is toegevoegd aan het dictum, naast de reeds toegewezen bedragen en wettelijke rente.

De uitspraak bevestigt de hoofdelijkheid van de betaling door [partij 1] aan [partij 2] van de totale sommen, inclusief opslagkosten en wettelijke rente, binnen de gestelde termijnen.

Uitkomst: Het vonnis van 4 juni 2025 is hersteld door opname van het bedrag van €423,50 opslagkosten in het dictum.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11270909 \ CV EXPL 24-3029
Vonnis van 17 september 2025
in de zaak van

1.[naam 1],

2.
[naam 2],
beiden wonende in [plaats 1],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1],
gemachtigde: [naam 1],
tegen
[naam 3] H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2],
gemachtigde: mr. R.J.H. van der Burgt.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in deze zaak van 4 juni 2025, met de daarin genoemde stukken
- het bericht van de gemachtigde van [partij 2] van 5 juni 2025
- de brief van de griffier van 11 juni 2025 aan partijen
- de berichten van 24 juni 2025 van [partij 1]

2.Het geschil en de beoordeling

het herstelverzoek van [partij 2]
2.1.
De gemachtigde van [partij 2] heeft in haar bericht van 21 augustus 2025 verzocht om herstel van het vonnis van 4 juni 2025. Zij heeft daarvoor het volgende aangevoerd:
In bovengenoemde zaak is op 13 augustus jl. een vonnis gewezen naar aanleiding van het verzoek om tot herstel van het vonnis van 4 juni 2025 over te gaan. […]
In het dictum ontbreekt nog steeds het bedrag van € 423,50 incl. btw voor de opslagkosten.
Daarbij verzoekt [partij 2] om het vonnis te herstellen door genoemd bedrag ook in het dictum op te nemen en een herstelvonnis toe te sturen.
2.2.
De wederpartij, [partij 1], is bij brief van de griffier in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek uit te laten. De wederpartij heeft daarop niet gereageerd.
2.3.
De kantonrechter had in het herstelvonnis van 13 augustus 2025 in rechtsoverweging 2.5 geoordeeld dat op dit punt sprake was van een kennelijke fout in het vonnis die zich voor eenvoudig herstel leent zoals bedoeld in artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het in de genoemde rechtsoverweging toegewezen bedrag aan opslagkosten is vervolgens inderdaad niet in het dictum opgenomen, zodat op dit punt sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv Pro. Het vonnis zal op dat punt worden hersteld zoals in de beslissing aangegeven.

3.De beslissing

De kantonrechter:
volhardt bij de inhoud van het tussen partijen op 4 juni 2025 gewezen vonnis en het herstelvonnis van 13 augustus 2025 met bovenvermeld zaaknummer, met dien verstande dat
de in punt 4.7. opgenomen tekst als volgt moet zijn:
“4.7. veroordeelt [partij 1] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij 2] te betalen:
  • een bedrag van € 3.570,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 423,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
  • een bedrag van € 439,00, binnen veertien dagen na de datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van het vonnis tot de dag van de volledige betaling.”
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.