ECLI:NL:RBZWB:2025:6350

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 september 2025
Publicatiedatum
22 september 2025
Zaaknummer
AWB 25_4553
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 AwbHoutopstandverordening Bergen op Zoom 2011
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd tot voorlopige voorziening over kapmelding bomen

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 22 september 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening van een verzoeker tegen een publicatie van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom over het kappen van verschillende bomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de publicatie van de kapmelding geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze handeling niet gericht is op rechtsgevolgen en geen verandering teweegbrengt in rechten of plichten van betrokkenen. De bomen zijn bovendien niet opgenomen op de lijst van monumentale houtopstanden, waardoor geen omgevingsvergunning vereist is.

Hoewel verzoeker een verzoek heeft ingediend om de bomen alsnog op de monumentenlijst te plaatsen, is hierover nog geen besluit genomen. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen en wordt het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening tegen de kapmelding van bomen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4553

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een publicatie van een melding dat verschillende bomen zullen worden gekapt in de gemeente Bergen op Zoom.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij onbevoegd is om kennis te nemen van de voorlopige voorziening.
2.2.
Het college heeft op 23 juli 2025 gepubliceerd dat verschillende kapmeldingen zijn gedaan over het vellen van bomen in de openbare ruimte van Bergen op Zoom. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Volgens artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – voor zover hier van belang – kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of het verzoek om voorlopige voorziening en het onderliggende bezwaarschrift van 3 september 2025 zijn gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3.2.
Uit artikel 8:1 gelezen Pro in verbinding met artikel 7:1 van Pro de Awb volgt dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van die wet. Volgens laatstgenoemd artikel wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht. Dat betekent dat er een verandering optreedt in iemands bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of dat het bestaan van rechten, verplichtingen of bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.
3.3.
Uit de Houtopstandverordening Bergen op Zoom 2011 volgt dat een omgevingsvergunning nodig is voor het vellen van een monumentale houtopstand die voorkomt op de lijst van monumentale houtopstanden. Tussen partijen is niet in geschil dat onderhavige bomen niet zijn opgenomen op deze lijst. Dat betekent dat geen omgevingsvergunning is vereist voor het vellen van deze houtopstanden.
3.4.
Verzoeker heeft gesteld dat hij het college heeft verzocht om onderhavige houtopstanden op de lijst op te nemen. Hij is namelijk van mening dat niet is aangetoond dat de houtopstanden dood of ziek zijn, een belangrijke nest- en schuilgelegenheid voor vogels een vleermuizen bieden, bijdragen aan de biodiversiteit, een cruciale rol hebben in hittestressbeperking, luchtkwaliteit en wateropvang in de wijk en in hoge mate het straatbeeld bepalen en historische betekenis hebben voor de wijk. Daarnaast is het niet duidelijk of verplanting of behoud met snoei is overwogen.
3.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat hij onbevoegd is. Het publiceren van een melding dat houtopstanden worden geveld is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Deze handeling is namelijk niet naar haar aard gericht op enig rechtsgevolg. Nu de bomen niet zijn opgenomen op de lijst, geldt er geen vergunningplicht. Het is daarmee toegestaan om de bomen te vellen en de publicatie van de melding daarvan verandert dat niet. Er treedt dus geen verandering op in iemand zijn bestaande rechten. Het enkele feit dat verzoeker van mening is dat de bomen wel opgenomen zouden moeten worden op de lijst en daartoe een verzoek heeft ingediend, maakt dat niet anders. Hoewel een beslissing op een dergelijk verzoek mogelijk wel is aan te merken als besluit, is een beslissing op dat verzoek nog niet genomen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter is kennelijk onbevoegd om van het verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 22 september 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.