ECLI:NL:RBZWB:2025:6147

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
02-151247-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging in vereniging tegen een persoon met letsel als gevolg

Op 12 september 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2006, die op 2 mei 2024 in Tilburg openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, hier aangeduid als [slachtoffer]. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 29 augustus 2025, waar de officier van justitie, mr. E. Kool, en de verdediging hun standpunten presenteerden. De tenlastelegging omvatte onder andere het geven van kopstoten, slaan en schoppen, en het maken van stekende bewegingen met een mes. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging.

De rechtbank heeft de camerabeelden bekeken en kon niet vaststellen dat er met een mes is gestoken of dat er tegen het hoofd van het slachtoffer is geschopt. De verdachte heeft wel een bekennende verklaring afgelegd over de andere onderdelen van de tenlastelegging. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bewezen is dat de verdachte openlijk geweld heeft gepleegd door het slachtoffer een kopstoot te geven en meermalen te slaan en te schoppen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de onderdelen die niet bewezen konden worden.

De officier van justitie vorderde een werkstraf van 60 uren, terwijl de verdediging vroeg om 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer, en heeft uiteindelijk een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren opgelegd. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot betaling van € 1.000,- aan immateriële schade aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade, samen met de medeverdachten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-151247-24
vonnis van de meervoudige kamer van 12 september 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
ingeschreven te [adres]
raadsvrouw mr. F.H.J. de Graaf, advocaat te Tilburg

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 augustus 2025, waarbij de officier van justitie, mr. E. Kool, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 mei 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, met uitzondering van het onderdeel schoppen tegen het hoofd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 2 mei 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , kort gezegd bestaande uit het geven van kopstoten, slaan, schoppen, waaronder slaan en schoppen tegen het hoofd, en het maken van stekende bewegingen met een mes. Op basis van de camerabeelden kan de rechtbank echter niet vaststellen dat bij de bewegingen die door de politie in het proces-verbaal van bevindingen worden benoemd als stekende bewegingen een mes in de hand aanwezig was. Ook kan de rechtbank op basis van de camerabeelden niet vaststellen dat [slachtoffer] tegen zijn hoofd is geschopt en dat er meerdere kopstoten zijn uitgedeeld. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
Ten aanzien van de overige onderdelen van de tenlastelegging heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 29 augustus 2025;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 2 mei 2024, pagina 10-12, van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2024109713;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 4 mei 2024, pagina 45-48 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2024109713;
- eigen waarneming van de rechters gedaan op de zitting van 29 augustus 2025, inhoudende de camerabeelden waarop te zien is dat aan [slachtoffer] eenmaal een kopstoot is gegeven.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 2 mei 2024 te Tilburg openlijk, te weten op de Heuvel, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door die voornoemde [slachtoffer] een kopstoot te geven en meermalen tegen het hoofd en de rug te slaan en te stompen en meermalen tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 60 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank aan verdachte op te leggen een werkstraf van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en met de omstandigheden van verdachte.
De verdachte heeft zich op 2 mei 2024 schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging. Verdachte maakte deel uit van een grote groep jongens die het gemunt had op het slachtoffer, [slachtoffer] . De groep jongens is in Tilburg naar het terras gelopen waar [slachtoffer] zat met twee vrienden. De jongens hebben [slachtoffer] vervolgens te grazen genomen, waarbij er klappen, schoppen en een kopstoot zijn uitgedeeld. Verdachte heeft daarbij ook klappen en schoppen gegeven aan [slachtoffer] .
Feiten als deze hebben een grote impact op slachtoffers. Dit blijkt ook uit de toelichting ter zitting namens [slachtoffer] waarbij is toegelicht dat [slachtoffer] nog altijd last heeft van het geweld wat op hem is uitgeoefend, niet alleen in fysiek, maar ook in mentaal opzicht. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Bovendien draagt geweld in het openbaar bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit is gebleken dat hij eerder met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast is artikel 63 Sr van toepassing.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zoals dat ter zitting naar voren is gebracht. De Raad maakt zich grote zorgen over verdachte. De Raad ziet wel de noodzaak van begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van een deels voorwaardelijke straf, maar merkt daarbij op dat de uitvoering erg complex zal zijn, nu er geen zicht is op verdachte. De Raad merkt ook op dat de instanties bij de uitvoering van een eventuele werkstraf tegen problemen aan zullen lopen, nu de verblijfplaats van verdachte onbekend is.
De rechtbank heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Hierin staat vermeld dat het uitgangspunt voor openlijk geweld tegen personen 40 uur taakstraf betreft. De rechtbank neemt als strafverzwarend mee dat het geweld is gepleegd door een grote groep jongens, waarbij veel is geschopt en geslagen, en er sprake is van letsel bij [slachtoffer] .
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf een passende afdoening is. Zij zal aan verdachte opleggen een werkstraf van 60 uur.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Immateriële schade
Vast staat dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij daarnaast nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. In dit geval liggen de nadelige gevolgen voor de benadeelde, gelet op de aard en de ernst van de normschending, zo voor de hand dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in verglijkbare gevallen door rechters zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van een bedrag van € 1.000,- billijk. Voor het overige deel van deze vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
Hoofdelijkheid
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, maar het bedrag te verdelen tussen de verdachten, omdat zij minderjarig waren ten tijde van het plegen van het feit.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken en de schade te verdelen tussen verdachte en de medeverdachten. Hoofdelijkheid is in het belang van de benadeelde. Hij heeft recht op volledige betaling van de door de rechtbank toegekende schadevergoeding. Bovendien zijn nog niet alle verdachten voor de rechter verschenen. De rechtbank zal de vordering dan ook hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een
werkstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer]van
€ 1.000,-aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer]
, € 1.000,-te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, mr. R. Combee en mr. R.H.M. Pooyé, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde en R. Rozendaal, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 september 2025.
Bijlage
De tenlastelegging
hij op of omstreeks te 2 mei 2024 te Tilburg, althans in Nederland, openlijk, te weten op de Heuvel, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door die voornoemde [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal een kopstoot te geven en/of meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of de rug, althans het lichaam te slaan en/of te stompen en/of meermalen althans eenmaal tegen de rug en/of het hoofd en/of lichaam te schoppen en/of te trappen en/of door meermalen althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] ;
(Artikel art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)