ECLI:NL:RBZWB:2025:6105
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende correctie voorzieningenniveau
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €256.000 per 1 januari 2023, en tegen de daarop gebaseerde aanslag OZB. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank beoordeelde de zaak op zitting en concludeerde dat de waarde te hoog was vastgesteld.
De waardebepaling was gebaseerd op de vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen, welke voldoende vergelijkbaar werden geacht. Echter, de rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzichtelijk had gemaakt waarom voor de woning van belanghebbende geen correctie voor het ondergemiddelde voorzieningenniveau was toegepast, terwijl dat wel bij de referentiewoningen was gebeurd. Gelet op overlegde foto’s en stellingen was sprake van een ondergemiddeld voorzieningenniveau.
Belanghebbende kon zijn lagere waarde van €191.000 niet aannemelijk maken, omdat de taxatie slechts bedoeld was als controle van de WOZ-waarde. De rechtbank stelde daarom de waarde schattenderwijs vast op €249.000. De aanslag OZB werd dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en een forfaitaire proceskostenvergoeding van €777 aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €249.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.