ECLI:NL:RBZWB:2025:6103
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1981 en maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €257.000 per 1 januari 2023, die tevens leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank behandelde het beroep op 30 juli 2025.
De rechtbank toetste of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld, waarbij de vergelijkingsmethode werd toegepast. De heffingsambtenaar gebruikte drie referentiewoningen, waarvan één niet op de openbare markt was verkocht en daarom buiten beschouwing werd gelaten. De overige referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar qua type, ligging en bouwjaar.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met het matige kwaliteitsniveau van de woning. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende correcties had toegepast, waaronder een 14% correctie voor onderhouds- en voorzieningenniveau, en dat aanvullende correcties niet nodig waren.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde en aanslag blijven gehandhaafd.