Op 2 september 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in Breda uitspraak gedaan in een zaak betreffende de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van een hond, die in beslag was genomen na een bijtincident op 15 mei 2025. De hond, een zwarte Amerikaanse Staffordshire terriër, was in beslag genomen nadat deze een zevenjarige jongen in zijn hoofd had gebeten. De jongen had de poort naar de achtertuin geopend om een bal te halen, waarna de hond aanviel. De officier van justitie diende op 1 juli 2025 een vordering in op basis van artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering, met het verzoek de hond aan het verkeer te onttrekken.
Tijdens de behandeling in raadkamer op 19 augustus 2025 was de belanghebbende, samen met zijn advocaat mr. drs. L. Verheuvel, niet aanwezig, maar wel opgeroepen. De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie ontvankelijk was in zijn vordering, maar dat er onvoldoende bewijs was voor een strafbaar feit. De belanghebbende was aanvankelijk verdacht van het overtreden van artikel 425 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, maar het Openbaar Ministerie had besloten om de zaak te seponeren wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank concludeerde dat, hoewel het ongecontroleerd bezit van de hond in strijd was met het algemeen belang, er geen relatie was met een strafbaar feit. Hierdoor voldeed de vordering niet aan de wettelijke vereisten voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank wees de vordering van de officier van justitie af, maar merkte op dat het beslag op de hond nog niet was geëindigd en dat er mogelijk bestuursrechtelijke mogelijkheden waren voor de burgemeester. De beslissing werd genomen door rechter mr. R.H.M. Pooyé, in tegenwoordigheid van griffier mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt.