Op 25 april 2025 stelde [naam 1] beroep in tegen het vermeende niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 19 juni 2024. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval het college binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
Het college kwam hiertegen in verzet en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 19 juni 2024 door het college terecht werd gezien als een aanvulling op het eerdere bezwaarschrift van 12 juni 2024, waarop al op 26 juni 2024 was beslist. Hierdoor was het beroep onontvankelijk omdat er al een besluit was genomen.
Verder stelde de voorzieningenrechter vast dat op het moment van het instellen van het beroep op 25 april 2025 geen (proces)belang meer bestond, omdat de aangekondigde verhuizing niet was uitgevoerd en ook niet meer kon worden uitgevoerd. Het verzet werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak verviel, het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskostenveroordeling af, maar bepaalde dat het griffierecht voor de voorlopige voorziening aan het college wordt terugbetaald. Tegen deze uitspraak over het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.