ECLI:NL:RBZWB:2025:5609

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
21 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/435946 JE RK 252-982
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • de Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing ondertoezichtstelling minderjarigen in afwachting van voortgang hulpverlening

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen wegens bedreigingen in hun ontwikkeling door spanningen tussen ouders en onvoldoende draagkracht van de moeder. De moeder woont met de kinderen en heeft recent hulpverlening geaccepteerd en gestopt met blowen. De vader onderhoudt contact met de kinderen, maar woont niet meer samen met de moeder.

De kinderrechter constateert dat de minderjarigen zijn opgegroeid in een onrustige situatie met verbale en fysieke agressie tussen de ouders en zorgen over ongezonde hechting en verwaarlozing. De moeder toont motivatie voor hulpverlening, maar het is te vroeg om te beoordelen of dit structureel volgehouden wordt. De gecertificeerde instelling heeft nog geen jeugdbeschermer beschikbaar.

Gezien de positieve ontwikkelingen en de wachtlijst bij de GI, houdt de kinderrechter de beslissing op het verzoek tot ondertoezichtstelling voor drie maanden aan. De Raad wordt verzocht een update te geven over de situatie en hulpverlening. De moeder wordt verwacht zich in te zetten voor de hulpverlening. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: Beslissing op verzoek ondertoezichtstelling wordt voor drie maanden aangehouden in afwachting van voortgang hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/435946 / JE RK 25-982
Datum uitspraak: 12 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats]
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
de gecertificeerde instelling
DE STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 mei 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn, maar is niet verschenen. Volgens de moeder wist de vader van de datum en het tijdstip van de zitting, maar kon hij geen vrij krijgen van zijn werk.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt voorop dat de moeder het heel goed doet met haar kinderen. Zij is geduldig en geeft de minderjarigen aandacht. De zorgen van de Raad over de ontwikkeling van de minderjarigen zijn met name gelegen in de mate waarin de minderjarigen worden belast met de spanningsvolle relatie tussen de ouders. Ook heeft de Raad gezien dat de moeder over een langere periode moeite heeft gehad met het dagelijks leven, het bijhouden van het huishouden en het bieden van structuur aan de minderjarigen. De inzet van vrijwillige hulpverlening heeft volgens de Raad tot nu toe onvoldoende verbetering gebracht. Ondanks dat de moeder recent heeft laten zien dat zij de inzet van hulpverlening accepteert, vraagt de Raad zich af of het gezinssysteem sterk genoeg is om in het vrijwillig kader verder te gaan. Volgens de Raad is het in het belang van de minderjarigen dat de GI de regie over de hulpverlening gaat voeren. De moeder staat alleen voor de zorg van drie jonge minderjarigen. De ondertoezichtstelling kan de moeder hierin ondersteuning bieden. De Raad betwijfelt of het de moeder gaat lukken om in het vrijwillig kader de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen weg te nemen. De moeder gaat de escalaties met de vader uit de weg, door boven te gaan zitten. De moeder heeft daarnaast zelf een belast verleden, waarvoor volgens de Raad aandacht moet zijn. Ambulante spoedhulp (ASH) kan deze behandeling niet bieden. De GI kan de hulpverlening afstemmen met ASH. Er moet volgens de Raad zicht komen op het trauma van de moeder, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij de inzet van hulpverlening en wat er voor de moeder haalbaar is. Ook moet er duidelijkheid komen over de rol van de vader. Volgens de Raad is de opvoedsituatie nog erg kwetsbaar. De Raad kan zich voorstellen dat de kinderrechter, gelet op de recente positieve ontwikkelingen, de beslissing op het verzoek aanhoudt in afwachting van het verdere verloop van die ontwikkelingen. De Raad heeft echter de voorkeur dat de ondertoezichtstelling voor zes maanden verleend wordt, zodat de GI betrokken raakt in het gezin en kan beoordelen of een verlenging van die ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
4.2.
De moeder geeft aan dat zij niet meer samenwoont met de vader. De vader heeft bewust een stap achteruit gedaan en bezoekt het gezin alleen in het weekend. De vader heeft wel dagelijks telefonisch contact met de minderjarigen. De moeder en de vader ondernemen leuke dingen om hun relatie te verbeteren. Zij proberen conflicten te vermijden, door eerder te praten over hun irritaties. Volgens de moeder is er in haar verleden wel iets gebeurd, waardoor zij een trauma heeft opgelopen. Zij ziet nu geen noodzaak daar iets aan te doen al zou ondersteuning door een psycholoog haar wel kunnen helpen. Volgens de moeder is er geen noodzaak meer voor een ondertoezichtstelling. De moeder heeft de opvoedsituatie van de minderjarigen verbeterd en veranderd. Ook is zij gestopt met blowen. Er zijn volgens de moeder geen spanningen meer tussen haar en de vader. Zij krijgt nu hulp vanuit het maatschappelijk werk, in het huishouden en voor haar financiën. De moeder vindt het fijn dat deze hulp er is en betrokken blijft bij haar. De moeder heeft een zware periode doorgemaakt, maar heeft zich hersteld. Volgens de moeder zijn er al veel hulpverleners betrokken bij het gezin. Zij vraagt zich af of het wel in het belang van de minderjarigen is, als er nog een hulpverlener in het gezin komt.
4.3.
De GI heeft in de stukken gelezen, dat er sprake is geweest van een hele zorgelijke situatie, die voor de minderjarigen erg onrustig is geweest. De GI ziet dat de moeder een zware taak heeft in de zorg voor drie nog jonge kinderen. De GI vraagt zich af of de moeder genoeg draagkracht heeft om alle taken die zij heeft, te volbrengen. Het is volgens de GI positief dat de moeder met de ingezette hulp stappen voorwaarts heeft gemaakt. Hierdoor komt zij toe aan het moederschap. Het is van belang dat de moeder in haar kracht gezet wordt en dat zij ondersteuning krijgt om de positieve ontwikkelingen in stand te houden. Voorkomen moet worden dat de moeder terugvalt in de oude situatie. De GI zou de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling willen ondersteunen en versterken. Als blijkt dat de moeder verder kan in het vrijwillig kader, dan kan de ondertoezichtstelling beëindigd worden. Volgens de GI is het daarbij van belang dat er een jeugdbeschermer is, die dat proces stuurt en hulpverlening inzet waar dat nodig is. De GI heeft niet meteen een jeugdbeschermer beschikbaar. Wel komt er voor de moeder een vast aanspreekpunt waar zij terecht kan, tot er een jeugdbeschermer beschikbaar komt.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Uit de stukken en de zitting is gebleken dat de minderjarigen in hun ontwikkeling worden bedreigd. De minderjarigen zijn opgegroeid in een opvoedsituatie, waarin er sprake was van verbale en fysieke agressie tussen de ouders. Ook zijn er zorgen over een ongezonde hechting van de minderjarigen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn meerdere keren aangetroffen met een volle luier in een vervuild huis, waarbij het ook regelmatig is voorgekomen dat zij aan het eind van de ochtend nog niet aangekleed en/of gevoed waren.
5.3.
Uit recente informatie van het ASH, te weten het telefonisch gesprek dat door de heer [naam] op eigen initiatief met de Raad is gevoerd, is gebleken dat de moeder zich openstelt voor de reeds ingezette hulpverlening door het ASH en ook gemotiveerd is voor het inzetten van aanvullende hulpverlening, zoals bijvoorbeeld traumabehandeling. De moeder komt haar afspraken met ASH na en lijkt hiervoor meer gemotiveerd te zijn. Zij is gestopt met blowen. Positief is ook dat de vader werk gevonden heeft en dat hij zich hiervoor inzet. De vader houdt zich meer op afstand van het gezin. De contacten die de vader met de minderjarigen heeft, proberen de ouders zo positief mogelijk in te vullen.
Naar het oordeel van de kinderrechter zijn de ouders thans bereid om hulpverlening te accepteren. Het is echter te pril om te beoordelen of de ouders naar verwachting in staat zijn om dit structureel vol te houden. De kinderrechter zal de beslissing op het verzoek van de Raad, mede gelet op de wachtlijst bij de GI, voor de duur van drie maanden aanhouden, in afwachting van informatie van de Raad over de situatie op dat moment. De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij zich blijft inzetten voor de reeds ingezette hulpverlening en aanvullende hulpverlening (zoals traumabehandeling) die door procesregie noodzakelijk worden geacht. Van de Raad wordt verwacht dat hij zich in een aanvullende brief uitlaat over de actuele situatie, het verloop van de hulpverlening tot dan en of het verzoek wordt gehandhaafd.
5.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de behandeling van het verzoek aan tot
12 september 2025 Pro Formain afwachting van het bericht van de Raad (conform hetgeen is overwogen in r.o. 5.3), welk bericht tevens naar de moeder en de GI wordt gestuurd;
6.2.
houdt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025 door mr. de Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en opschrift
gesteld op 26 juni 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.