ECLI:NL:RBZWB:2025:5608

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
21 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/434244 JE RK 25-682
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onveilige opvoedsituatie en noodzaak gezinshuis

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot uithuisplaatsing van een minderjarige uit haar onveilige thuissituatie bij de moeder. De kinderrechter heeft de procedure met gesloten deuren behandeld en de standpunten van de moeder, vader, GI en de Raad voor de Kinderbescherming betrokken.

De GI onderbouwt dat de veiligheid van de minderjarige niet gegarandeerd is, mede door onvoldoende naleving van het veiligheidsplan en de problematiek binnen het gezin. De GI stelt dat een plaatsing in een gezinshuis de beste optie is voor stabiliteit, veiligheid en diagnostiek. De moeder betwist de noodzaak van uithuisplaatsing en wijst op het ontbreken van een passende plek en de mogelijkheid tot diagnostiek in de thuissituatie. De vader steunt het verzoek en benadrukt de urgentie van een veilige opvoedsituatie.

De kinderrechter oordeelt dat de situatie van de minderjarige zeer zorgelijk en urgent is en dat de schadelijke gevolgen van uithuisplaatsing opwegen tegen de noodzaak om haar veiligheid te waarborgen. De opvoedsituatie bij de moeder is onvoldoende veilig en stabiel, diagnostiek in de thuissituatie is niet mogelijk, en een gezinshuis biedt de beste randvoorwaarden voor begeleiding en diagnostiek. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in gezinshuis met onmiddellijke uitvoerbaarheid toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/434244 / JE RK 25-682
Datum uitspraak: 12 juni 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie ’s-Hertogenbosch,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N. van Vliet te Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte te Rotterdam.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 19 mei 2025, schriftelijk bevestigd op 23 mei 2025, en de daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI van 4 juni 2025 met bijlagen;
  • de pleitaantekeningen van mr. Van Vliet.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 12 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • twee vertegenwoordigsters van de GI (de jeugdbeschermer en een gedragswetenschapper);
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 15 november 2024 tot 15 november 2025.
2.4.
De GI heeft verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder respectievelijk (ter overbrugging) een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI heeft daarbij verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.5.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft in haar beschikking van 19 mei 2025 de behandeling van het verzoek van de GI aangehouden. De kinderrechter heeft daartoe – samengevat – overwogen dat de GI onvoldoende onderbouwd heeft kunnen toelichten waarom een gezinshuis op dit moment de meest passende plek voor [minderjarige] zou zijn noch of en hoe de volgens haar noodzakelijke diagnostiek en behandeling daarin dienen plaats te vinden. De kinderrechter heeft de GI de opdracht gegeven om in een stand van zaken brief te onderbouwen wat haar concrete plan voor [minderjarige] is:
vanuit welke hypothese of diagnostiek (waar dient [minderjarige] voor te worden behandeld? waaruit blijkt dit?); welke doelstelling (wat heeft [minderjarige] nodig?) en op welke daartoe geschikte plek (wanneer en waar)? En als die geschikte plek er (nog) niet is: wat betekent dit dan voor [minderjarige] ?
2.6.
De GI heeft aan deze opdracht voldaan middels haar stand van zaken brief van 4 juni 2025.

3.De verdere onderbouwing door de GI

3.1.
De GI stelt in haar stand van zaken brief voorop dat zij zich onverminderd zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder. De GI brengt aanvullend naar voren dat zij door de supervisor van de MST-PSB-therapeut is geïnformeerd dat het veiligheidsplan vóór 10 maart 2025 niet dekkend is geweest. En ook dat het op momenten niet goed is opgevolgd. De GI vindt het ook nog steeds zorgelijk dat de moeder het seksueel misbruik (in het verleden) bagatelliseert en de uitspraken van [minderjarige] over [naam 1] niet waarschijnlijk vindt. De moeder geeft in gesprek met de GI aan dat [minderjarige] zelf het probleem is. Volgens de GI verkeert [minderjarige] , onverminderd de veiligheidsafspraken en het versterkt toezicht, in een onveilige situatie waar zij zo snel mogelijk uitgehaald dient te worden.
3.2.
De GI heeft de intentie om [minderjarige] op zo kort mogelijke termijn te plaatsen in een gezinshuis. Hiervoor is een aanmelding gedaan bij [gezinshuis 1] . Een gezinshuis biedt [minderjarige] :
- een stabiele en veilige plek, waarmee [minderjarige] uit de huidige fysiek en emotionele onveilige omgeving is;
- een gezinsvervangende situatie, met een grote mate van betrokkenheid van de gezinshuisouders;
- de stabiliteit en rust waardoor er een duidelijk en objectief beeld gevormd kan worden middels diagnostiek en observatie om op die wijze duidelijkheid te krijgen over wat [minderjarige] nodig heeft (zowel van haar opvoeders als van eventuele behandelaren);
- gezinshuisouders die, meer dan reguliere pleegouders, ervaring en expertise hebben op het gebied van het verzorgen en begeleiden van kinderen die veel hebben meegemaakt en extra vragen in hun opvoeding;
- gezinshuisouders die expertise hebben om gedrag en gedragsveranderingen te kunnen observeren en te kunnen bijsturen (wat heeft [minderjarige] nodig, is er sprake van hechtingsproblematiek, welke trauma’s verdienen behandeling?);
- een neutrale plek, waarbij [minderjarige] uit de klempositie gehaald wordt; de klempositie tussen moeder en [naam 1] , maar ook tussen moeder en vader.
3.3.` De GI licht dit verder als volgt toe. Uit overleggen met verschillende instanties is gebleken dat een observatie- of behandelsetting, waarop aanvankelijk werd gekoerst, niet passend is voor [minderjarige] . De GI heeft voor de behandeling van het verzoek op 19 mei jl. met meerdere zorgaanbieders gesproken: [zorgaanbieder 1] , [zorgaanbieder 2] , [zorgaanbieder 3] , [zorgaanbieder 4] , [zorgaanbieder 5] , [zorgaanbieder 6] , [zorgaanbieder 7] en [zorgaanbieder 8] . Ook met pleegzorg (Vigere, Sterk Huis), [gezinshuis 1] en [gezinshuis 2] is er contact geweest over de casus. Ten aanzien van haar koerswijziging heeft de GI in het bijzonder de afwijzing van [zorgaanbieder 4] in acht genomen en het advies van Sterk Huis. [zorgaanbieder 4] acht zichzelf (als klinische behandelsetting) geen geschikte partij voor [minderjarige] , omdat de bij haar aanwezige gedragskenmerken passend lijken te zijn bij die van een meisje waarbij er al langere tijd sprake is van een onveilige hechting en invloed vanuit trauma ervaringen. Volgens Sterk Huis, die bovendien bekend is met het gezin, ligt de kern van het probleem niet bij [minderjarige] , maar in het systeem. Tijdens een gezinsopname van de moeder, [minderjarige] en [naam 1] is gezien dat alle gezinsleden moeite hadden met grensoverschrijdend gedrag naar elkaar. De (verdere) behandeling van deze systeemproblematiek zal volgens Sterk Huis intensief en langdurig zijn. [minderjarige] zal dan lang moeten wachten tot er met haar gewerkt kan worden aan wat zij nodig heeft. De GI onderschrijft deze bevindingen en weegt ten aanzien van [minderjarige] verder mee dat buitenshuis geen afwijkend gedrag van [minderjarige] is gezien, zoals blijkt uit gesprekken met de oude en de nieuwe school van [minderjarige] en met de [begeleiding] . Het verontrustende gedrag bij [minderjarige] lijkt daarmee alleen zichtbaar in de thuissituatie bij de moeder. Zorgelijk is echter verder dat [minderjarige] haar wensen lijkt af te stemmen op de moeder, terwijl de moeder contactherstel tussen [minderjarige] en de vader niet kan ondersteunen terwijl dat voor [minderjarige] belangrijk en noodzakelijk is. Volgens de GI zal via diagnostiek gekeken moeten worden of er bij [minderjarige] sprake is van hechtingsproblematiek, trauma’s of kindeigen-problematiek. Daarnaast zal er aandacht moeten zijn voor het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] verkeert.
3.4.
De door de GI beoogde diagnostiek kan alleen vanuit een stabiele opvoedsituatie plaatsvinden. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat zij rust krijgt en dat er tegelijkertijd professionals in haar nabijheid zijn, die haar kunnen observeren en kunnen anticiperen op wat [minderjarige] nodig heeft. Een gezinshuis biedt [minderjarige] een stabiele en veilige plek, maar ook een gezinsvervangende situatie, met een grote mate van betrokkenheid van de gezinshuisouders. Gezinshuisouders zijn bovendien pedagogisch geschoold en onderlegd. Deze expertise is volgens de GI nodig om [minderjarige] te kunnen begeleiden in de mogelijk aanwezige hechtingsproblematiek en het onverwerkte trauma. De GI hoopt dat er op korte termijn een plaats in een gezinshuis beschikbaar komt, waarbij [minderjarige] naar haar school kan blijven gaan en in de nabijheid van de ouders is, zodat het contact tussen [minderjarige] en haar ouders in stand kan blijven of vorm gegeven kan worden. De GI wil voorkomen dat [minderjarige] ter overbrugging naar een gezinshuis op een crisisplaats moet worden geplaatst. Er is zicht op een mogelijk geschikte plaats voor [minderjarige] in een gezinshuis in de regio [plaats 1] , maar dan kan [minderjarige] niet meer naar haar huidige school en is zij meer op afstand van haar ouders. De GI hoopt dat er op korte termijn wel een plaats in de regio beschikbaar komt, bij voorkeur in [plaats 2] , maar het is onzeker of dat op korte termijn lukt. Volgens de GI heeft het gezinshuis in [plaats 3] geen plaats voor [minderjarige] beschikbaar.

4.Standpunten van belanghebbenden

De moeder
4.1.
Door en namens de moeder wordt verzocht om het verzoek af te wijzen. Onverlet de onderbouwing van de GI zijn er nog te veel openliggende vragen en onduidelijkheden. Daardoor kan niet worden geconcludeerd dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis in haar belang is. Daarbij volgt onvoldoende uit de stukken dat een uithuisplaatsing dient te volgen (als zijnde ultimum remedium) omdat alle andere middelen hebben gefaald.
Door en namens de moeder wordt daartoe aangevoerd dat de GI heeft nagelaten om [minderjarige] in de thuissituatie te laten diagnosticeren. Er kan dan ook nog niet gesteld worden dat die thuissituatie te onstabiel is, om diagnostiek uit te voeren en om hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten. [minderjarige] heeft na 10 maart 2025 geen uitspraken meer gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hieruit valt volgens de moeder af te leiden dat het veiligheidsplan en het vierogen-beleid lijken te werken. [minderjarige] doet het goed op school en ook bij [begeleiding] . Deze naschoolse opvang zou nog kunnen worden uitgebreid, zodat het vierogen-beleid minder drukt op de thuissituatie. Vanuit [zorgaanbieder 4] is volgens de moeder benoemd dat het bijna logisch is, dat – door de terugkeer van [naam 1] – bij [minderjarige] een toename is van de gevoelens van onveiligheid en dat zij last heeft van traumatriggers. [zorgaanbieder 4] behandelt trauma bij voorkeur poliklinisch en in samenwerking met het thuisfront. Volgens de moeder moet afgevraagd worden of een uithuisplaatsing van [minderjarige] , hetgeen over het algemeen schadelijk is voor een kind, strikt noodzakelijk is, nu er een minder ingrijpende mogelijkheid om tot diagnostiek te komen beschikbaar is. Er is volgens de moeder bovendien nog geen zicht op een geschikte plaats voor [minderjarige] , waarbij voldaan wordt aan de voorwaarden die de GI zelf heeft gesteld aan deze plaats.
Pas als is geprobeerd om in de thuissituatie te werken aan diagnostiek en de opvang door de naschoolse opvang en door [begeleiding] is uitgebreid, kan worden geconstateerd of een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De moeder heeft vanuit het [kinderziekenhuis] begrepen dat deze grote twijfels heeft over een uithuisplaatsing van [minderjarige] , omdat er nog geen zicht is op wat zij nodig heeft. De moeder heeft er grote moeite mee dat de GI eerst een plaatsing op een behandelgroep voor ogen had en dat er vervolgens wordt ingestoken op een plaats in een gezinshuis, op voorwaarde dat deze in de buurt van de ouders en van de school van [minderjarige] zou zijn. Nu verlaat de GI ook de voorwaarden die zij zelf voor de beoogde plaatsing heeft vastgesteld.
De moeder begrijpt de zorgen van de GI, maar die waren al bekend tijdens de ondertoezichtstelling. [minderjarige] is het slachtoffer geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zij heeft uitlatingen gedaan die zeer zorgelijk zijn, maar daarbij is ook afgevraagd of deze uitlatingen wel waar zijn. De moeder betwist nadrukkelijk dat zij [minderjarige] niet zou geloven. Er moet volgens de moeder gekeken worden naar een passende oplossing en die kan niet gevonden worden in een gezinshuis in de regio [plaats 1] . De moeder vraagt om afwijzing van het verzoek van de GI. Subsidiair vraagt zij om, als de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleent, deze niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vader
4.2.
Door en namens de vader is er op gewezen dat de noodzaak voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] al in de tussenbeschikking is vastgesteld. Er was op dat moment echter geen zicht op een plaats voor [minderjarige] , waardoor de kinderrechter de GI heeft gevraagd om het verzoek op dit punt verder te onderbouwen. Volgens de vader moet [minderjarige] voor haar eigen veiligheid uit huis worden geplaatst. Het veiligheidsplan is volgens de GI niet dekkend geweest, waardoor [minderjarige] opnieuw het slachtoffer is geweest van seksueel misbruik door haar halfbroer. Het is bovendien nog maar de vraag of het naleven van het veiligheidsplan houdbaar is en of dit in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] heeft een stabiele opvoedsituatie nodig, waarin zij niet door traumatriggers geconfronteerd wordt. [minderjarige] moet weer kind kunnen zijn. Daar komt bij dat [minderjarige] vanuit de huidige situatie onmogelijk onbelast contact met haar beide ouders kan hebben. De vader vindt het dan ook van groot belang dat deze situatie zo snel mogelijk doorbroken wordt en dat [minderjarige] onmiddellijk uit huis wordt geplaatst. De vader sluit aan bij het standpunt van de GI dat [minderjarige] in een gezinshuis geplaatst moet worden. Er is op dit moment alleen in de regio [plaats 1] een geschikte plaats voor [minderjarige] beschikbaar. De eventuele schadelijke gevolgen van een wisseling van school weegt volgens de vader op tegen de voordelen voor [minderjarige] om in een stabiele opvoedsituatie te verblijven en waar diagnostiek kan plaatsvinden. Volgens de vader moet het belang van [minderjarige] bij het verblijven in een veilige en stabiele opvoedsituatie voorop staan. De vader vraagt zich wel af of de GI het gezinshuis in [plaats 3] heeft overwogen als geschikte plaats voor [minderjarige] . De vader vraagt om het verzoek van de GI toe te wijzen en om deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vader wil dat de machtiging zo snel mogelijk benut wordt, ook als dat betekent dat [minderjarige] in de regio [plaats 1] wordt geplaatst. Door [coach] is voorop gesteld dat er stappen moeten worden gezet in het contact herstel met de vader. Ook moet de opvoedsituatie van de vader bezien worden. De vader is beschikbaar en bereid om [minderjarige] bij hem te laten wonen. De vader kan zich voorstellen dat [minderjarige] eerst op een neutrale plaats moet verblijven, om rust in de situatie te brengen, maar hoopt wel dat op termijn zal worden onderzocht of [minderjarige] bij hem kan gaan wonen.

5.Standpunt van de Raad

5.1.
Volgens de Raad is het niet duidelijk of de uitspraken van [minderjarige] gaan over recente incidenten of incidenten uit het verleden. De Raad vindt het wel erg verontrustend en schadelijk wat er is gebeurd. [minderjarige] vraagt om onvoorwaardelijke steun en veiligheid, maar dit betekent voor de moeder dat zij moet kiezen tussen haar kinderen. Na een intensieve gezinsopname van ruim een jaar heeft [minderjarige] , kort nadat haar halfbroer in het gezin is teruggekeerd, aangegeven dat zij zich niet veilig voelt. De Raad vindt, net als de GI, dat het herstel van haar veiligheid het belangrijkste is. Pas dan kan er zicht verkregen worden op wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] moet zich veilig voelen, zich gesteund weten en moet haar verhaal kunnen doen, zonder dat daar een verschrikkelijke emotionele lading op zit. De Raad kan zich voorstellen dat deze situatie zeer lastig is voor de moeder. In de visie van de Raad kan [minderjarige] echter niet meer thuis blijven wonen. Een plaatsing in een gezinshuis is de meest passende optie. Een gezinshuis biedt nabijheid van vaste opvoeders, die er elke dag zijn. Het geheel aan problematiek, maakt deze situatie zeer complex. Dat maakt ook dat het niet eenvoudig is om een gezinshuis te vinden, dat niet terugdeinst voor deze problematiek. De Raad begrijpt het dilemma van de GI, waarin het liefst wordt gezien dat [minderjarige] in de buurt van school en ouders kan worden geplaatst, maar daar staat tegenover dat het op zich al gunstig is dat er een gezinshuis in de regio [plaats 1] gevonden is. Deze afstand is weliswaar niet in de directe omgeving van [minderjarige] , maar is wel goed te bereizen. Als er een plaats zou zijn in het gezinshuis in [plaats 2] , dat de GI eigenlijk voor ogen had, dan zou dat de voorkeur hebben. De Raad vraagt zich evenwel af hoe lang er nog gewacht kan worden op een voor [minderjarige] geschikte plaats. Zo lang zij zich onveilig voelt en zij niet vrij kan bewegen, heeft dat invloed op haar ontwikkeling. Volgens de Raad duurt het voor [minderjarige] te lang, als zij tot – bijvoorbeeld – augustus in onzekerheid blijft over de plaats waar zij terecht zal komen. Het is volgens de Raad niet raadzaam om een passende plaats op het spel te zetten, in afwachting van een betere plaats. Met het oog hierop is het volgens de Raad niet wenselijk om de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

6.De nadere beoordeling

6.1.
De kinderrechter handhaaft al hetgeen is overwogen in de beschikking van 19 mei 2025 en overweegt verder als volgt.
6.2.
De kinderrechter stelt voorop dat de situatie van [minderjarige] onverminderd zeer zorgelijk en daarmee ook urgent is. Dat maakt dat er moet worden gehandeld. De vraag is echter hoe? Zoals reeds overwogen is een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel, met schadelijke gevolgen van dien. Het doel en de noodzaak van uithuisplaatsing moeten voldoende onderbouwd zijn en moeten ook opwegen tegen die schadelijke gevolgen.
6.3.
In haar stand van zaken brief heeft de GI (nogmaals) uiteengezet hoe haar besluitvorming is verlopen en waar de grootste zorg in ligt. De supervisor van de MST-PSB therapeut heeft vastgesteld dat het veiligheidsplan vóór 10 maart 2025 niet voldoende is geweest en niet goed is opgevolgd. Anders dan voor de moeder en de MST-PSB therapeut, staat voor de GI voorop dat de onthullingen van [minderjarige] wel kunnen zijn gebeurd en dat er alleen daarom al een noodzaak is om [minderjarige] uit de onveilige situatie te halen. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] voorop moet staan. Dat betekent dat de veiligheidsvoorwaarden van kracht dienen te blijven zolang [minderjarige] bij de moeder en [naam 1] is. Het handhaven van de opvoedsituatie bij de moeder onder deze verhoogde veiligheidsvoorwaarden is echter geen houdbare situatie voor [minderjarige] .
6.4.
De kinderrechter heeft naast zorgen over de veiligheid van [minderjarige] , ook zorgen over de emotionele veiligheid van [minderjarige] bij de moeder. Gebleken is dat de moeder [minderjarige] niet kan ondersteunen in haar behoeften en in het contactherstel met de vader. Dit heeft ook in de weg gestaan voor de benodigde hulp aan [minderjarige] , zoals de speltherapie die niet kon worden opgestart. [minderjarige] toont zich in steeds verder gaande mate afhankelijk van de moeder en lijkt ernstig klem te zitten in haar loyaliteit. Volgens Sterk Huis is in de opvoedsituatie bij de moeder sprake van systemische problematiek met grensoverschrijdend gedrag op alle vlakken. De behandeling van deze problematiek zal intensief en langdurig zijn.
6.5.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de opvoedsituatie bij de moeder niet voldoende veilig en stabiel voor [minderjarige] is om verder tot ontwikkeling te komen. Diagnostiek in de thuissituatie is gelet hierop niet mogelijk. Met de GI en de Raad acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat de opvoedsituatie bij de moeder wordt doorbroken en [minderjarige] rust, veiligheid en stabiliteit kan ervaren vanuit een neutrale plek. Een plaatsing in een gezinshuis sluit nu het beste aan bij het belang van [minderjarige] . De GI heeft dit voldoende duidelijk onderbouwd. In een gezinshuis wordt [minderjarige] in een gezinsgerichte omgeving begeleid door professionals, die kunnen anticiperen op en handelen naar de behoefte en de draagkracht van [minderjarige] . Een plaatsing in een gezinshuis schept ook de beste randvoorwaarden voor het plegen van (nadere) diagnostiek. Het is van belang dat [minderjarige] vanuit deze plaatsing wordt gemonitord en geobserveerd en dat de GI de benodigde vervolgstappen bepaalt, ten aanzien van de benodigde in te zetten hulp voor [minderjarige] , maar ook in relatie tot de opvoedverantwoordelijkheid van de ouders en het perspectief van [minderjarige] .
6.6.
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI dan ook toe.
6.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter acht het immers in het belang van [minderjarige] dat er een geschikte plek voor haar is gevonden alsook dat hier meteen gebruik van kan worden gemaakt.
6.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 12 juni 2025 tot 15 november 2025;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 27 juni 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.