ECLI:NL:RBZWB:2025:5607

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
21 augustus 2025
Zaaknummer
C/02/434602 JE RK 25-759
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 272 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van ontwikkeling

De kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 juni 2025 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot 20 juni 2026. De minderjarige is sinds november 2024 geplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin vanwege ernstige bedreigingen in haar ontwikkeling, veroorzaakt door blootstelling aan huiselijk geweld, middelengebruik en slechte leefomstandigheden.

De ouders, die het ouderlijk gezag hebben, zijn niet in staat gebleken de noodzakelijke zorg te bieden. De moeder vertoont een patroon van terugkeer naar de vader, ondanks hulpverleningspogingen, en de vader is sinds juni 2025 in detentie. De gecertificeerde instelling (GI) heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht te onderzoeken of een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is.

De kinderrechter acht het belang van de minderjarige gediend met voortzetting van de huidige maatregelen, waarbij de GI wordt aangespoord contact met de ouders te blijven zoeken om uiteindelijk het contact met de minderjarige te bevorderen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 20 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/434602 / JE RK 25-759
Datum uitspraak: 12 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2025;
  • de door de griffier op 20 mei 2025 aan de vader en de moeder gestuurde aangetekende en niet aangetekende oproepbrieven;
  • de oproeping van de vader en de moeder in de Staatscourant van 22 mei 2025
  • de retour ontvangen oproepingsbrieven aan de moeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025. Daarbij was een vertegenwoordigster van de GI aanwezig.
De vader en de moeder zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter constateert ambtshalve dat beide ouders behoorlijk zijn opgeroepen conform de wettelijke regels in artikel 272-276 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij zijn bij aangetekende en niet-aangetekende brief, gericht aan het adres waarop de ouders in de BRP zijn ingeschreven, opgeroepen. De oproeping is bovendien gepubliceerd in de Staatscourant. Namens de GI is aangegeven dat de moeder telefonisch op de hoogte is gesteld van de datum en het tijdstip van de zitting. Ten aanzien van de vader is dit niet gelukt. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de behandeling van het verzoek aan te houden en de ouders opnieuw op te roepen op een andere datum en tijdstip.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank, locatie Middelburg, heeft bij beschikking van 20 juni 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 juni 2025.
2.3.
De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft bij beschikking van 7 november 2024 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Bij beschikking van 20 november 2024 heeft de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een voorziening voor pleegzorg tot 20 juni 2025.
2.4.
Op basis van deze machtigingen is [minderjarige] op 7 november 2024 in een crisispleeggezin geplaatst. Op 27 november 2024 is [minderjarige] geplaatst in een pleeggezin, waarvan het adres onbekend moet blijven voor de ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI wordt het verzoek als volgt toegelicht. De moeder is op 8 mei 2025 met vader vertrokken uit de geheime opvang. De vader is vervolgens op 5 juni 2025 aangehouden door de politie. De moeder was daarbij aanwezig. De moeder heeft bij de politie verschillende aangiftes gedaan voor mishandeling door de vader. De verwachting is dat de vader een langere periode in detentie zal moeten verblijven. De GI heeft telefonisch contact gehad met de moeder en haar geïnformeerd over de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling van dit verzoek. De GI heeft geen contact kunnen krijgen met de vader, omdat hij steeds wisselt van telefoonnummer. Op de momenten dat er wel contact is met de vader, dan is dat vaak dreigend van aard. De GI weet niet waar de moeder nu verblijft. Zij is momenteel afhoudend in het contact met de GI. De GI heeft de moeder de tijd willen geven om tot rust te komen. Er is een patroon te zien, waarin de moeder steeds bij de vader terugkeert. Er is diverse malen ingezet op het bieden van veiligheid aan de moeder en om haar in de zorg te krijgen. Mogelijk is er bij haar sprake van onmacht en onvermogen om dit patroon te doorbreken. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat de cirkel doorbroken wordt en dat zij de vaardigheden en de tools krijgt om tot een evenwichtig kind en volwassene te ontwikkelen. [minderjarige] is geplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin. Zij krijgt therapie om de hechting te stimuleren. De moeder heeft [minderjarige] in november 2024 voor het laatst fysiek gezien. De ouders komen voortdurend in aanraking met politie en justitie. Er kunnen nu geen stappen worden gerealiseerd om de terugkeer van [minderjarige] bij de moeder te bevorderen. Dit laat onverlet dat de GI zal blijven proberen om contact te realiseren tussen haar en [minderjarige] . [minderjarige] heeft inmiddels contact met haar halfzusje van dertien jaar oud en met de oma aan moederszijde. De familie heeft zelf geen contact meer met de ouders, gelet op het grensoverschrijdende gedrag aan de zijde van de ouders. De GI heeft inmiddels een perspectiefbesluit genomen en heeft bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) een verzoek ingediend om te beoordelen of het gezag van de ouders beëindigd moet worden. Zij zijn hiervan op de hoogte gesteld. De verwachting van de GI is dat de Raad een onderzoek zal instellen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

5.De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
In artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is Pro voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
In artikel 1:265b BW is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
5.3.
Uit de inhoud van de stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] nog onverminderd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Tijdens de zwangerschap is [minderjarige] blootgesteld aan huiselijk geweld, middelengebruik, slechte hygiëne en leefomstandigheden en een hoge mate van stress. Dit heeft mogelijk geleid tot beschadigingen in haar aanleg en haar hersenontwikkeling. Na haar geboorte heeft [minderjarige] met de moeder verbleven in een penitentiaire inrichting en in een gezinskliniek. Sinds 27 november 2024 is [minderjarige] geplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin.
5.4.
De ouders zijn in de afgelopen periode niet tot zeer beperkt in beeld geweest van de GI en daarmee ook niet voor de voor hen noodzakelijke hulpverlening. Nadat de opname in de gezinskliniek met de moeder is beëindigd, zijn de ouders een tijdje uit het vizier van de GI geweest. Er zijn nog steeds zorgen over middelengebruik, overlast-gevend gedrag, crimineel gedrag en partnergeweld van de vader richting de moeder. De ouders zijn op 15 februari 2025 door de politie aangehouden wegens diefstal. Op dat moment verbleven de ouders in een vakantiehuisje dat flink vervuild en verwaarloosd was. De GI heeft met een stappenplan geprobeerd om de moeder in de zorg te krijgen. Gebleken is echter dat de moeder opnieuw in contact is met de vader en dat zij zich aan de hulpverlening onttrekt. De vader is op 5 juni 2025 aangehouden en de verwachting is dat hij mogelijk voor langere tijd gedetineerd zal zijn. De kinderrechter begrijpt dat de GI, gelet op het door haar genomen perspectiefbesluit, de Raad heeft verzocht om te onderzoeken of een gezagsbeëindigende maatregel in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het is belangrijk dat, ongeacht de uitkomst van dat onderzoek, de maatregelen door blijven lopen en dat de GI blijft proberen om de moeder en/of de vader in de zorg te krijgen om van daaruit contact met [minderjarige] mogelijk te maken. De kinderrechter zal het verzoek van de GI dan ook toewijzen om de voor [minderjarige] veilige en stabiele situatie bij de pleegouders te waarborgen, nu zowel de moeder als de vader zelf de zorg voor [minderjarige] niet kunnen dragen.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 20 juni 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 20 juni 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.