Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, college.
[derde-partij] B.V., uit [plaats 2] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een zonneweide en een energie-opslagsysteem op een locatie in een plaats. Daarnaast heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting. Voor het indienen van het verzoek moest griffierecht van €194,- worden betaald binnen een door de griffier gestelde termijn.
De griffier stuurde op 6 juni 2025 een aangetekende brief naar het door verzoeker opgegeven adres om het griffierecht te voldoen. Deze brief werd niet persoonlijk bezorgd maar lag op een afhaalpunt, waar verzoeker de brief niet heeft opgehaald. De brief werd daarop retour gezonden. Op 31 juli 2025 is een kopie van de nota per gewone post naar verzoeker verzonden, maar verzoeker heeft het griffierecht niet betaald en geen verontschuldiging gegeven voor het verzuim.
Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.