ECLI:NL:RBZWB:2025:5020

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
C/02/419497 FA RK 24-867
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:255 BWArt. 1:247 BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder en vaststelling begeleide omgangsregeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de moeder om voortaan zelfstandig het gezag over haar minderjarige kind te verkrijgen, het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van het kind en de vaststelling van een omgangsregeling.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de moeder vanwege het onaanvaardbare risico dat het kind klem raakt tussen de ouders bij voortzetting van gezamenlijk gezag. De ouders hebben een langdurig conflict met meerdere geweldsincidenten en vrijwel geen communicatie, wat de ontwikkeling van het kind belemmert. De moeder is angstig en de vader vertoont agressieregulatieproblemen.

De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind is en dat toewijzing van het gezag aan de moeder rust en stabiliteit biedt. Het verzoek tot ondertoezichtstelling werd afgewezen omdat de noodzakelijke hulpverlening vrijwillig wordt geaccepteerd en een gedwongen kader niet nodig is. De omgang tussen vader en kind wordt vastgesteld op één middag per week onder begeleiding van een professionele hulpverlener, waarbij de omgangsbegeleider bepaalt of de omgang in de woning van de vader kan plaatsvinden en of het halfzusje hierbij betrokken wordt.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het gezag wordt toegewezen aan de moeder, het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen en er wordt een begeleide omgangsregeling vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/419497 FA RK 24-867
datum uitspraak: 10 juni 2025
nadere beschikking betreffende het gezag, de omgang en een ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.P.J. Brouwers,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. H.C. Egger-van Oppen,
(advocaat was: mr. N.P.C.C. Langenberg).
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak op 16 juli 2024 gegeven beschikking en alle daarin vermelde stukken;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 29 november 2024, met als bijlage het raadsrapport;
- de F9-formulieren van mr. Brouwers van 6 december 2025 en 2 mei 2025, met bijlagen;
- de brieven van mr. Egger-van Oppen van 9 januari 2025 tevens houdende aanvulling van het zelfstandig verzoek, met bijlagen, en 8 april 2025, met bijlagen;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in deze zaak op 20 februari 2025.
1.2. De mondelinge behandeling van de zaak is aangevangen op 20 februari 2025. Tijdens die mondelinge behandeling, waarbij partijen, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda (hierna: de Raad) aanwezig waren, is de rechtbank niet toegekomen aan de inhoudelijke bespreking van de verzoeken, omdat de behandeling van de zaak kort na aanvang van de zitting is geschorst. Van die mondelinge behandeling is voormeld proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verstrekt.
De inhoudelijke behandeling van de zaak is voortgezet op de mondelinge behandeling van 13 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de advocaat van de man. De man was om een plotseling opgekomen reden verhinderd en daarom niet aanwezig. Verder was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3. Na te noemen [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De nadere beoordeling

2.1.
Bij voormelde beschikking is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige])
,klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [de minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Ziet de Raad aanleiding om het onderzoek uit te breiden met een beschermingsonderzoek?
In afwachting van het rapport van de Raad heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag aangehouden.
(Aanvullende) verzoeken
2.2.
Aan de rechtbank ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw dat zij voortaan zelfstandig wordt belast met het gezag over [de minderjarige].
2.3.
Ook liggen aan de rechtbank ter beoordeling voor de volgende aanvullende zelfstandige verzoeken van de man:
  • vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij hij en [de minderjarige] gedurende één middag per week recht hebben op omgang met elkaar onder begeleiding van hetzij een derde, hetzij de moeder van de man, waarbij [de minderjarige] tevens recht heeft op contact met haar halfzusje;
  • een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uit te spreken.
Gezag
2.4.
Uit het rapport van de Raad volgt dat hij adviseert het verzoek tot eenhoofdig gezag van de vrouw toe te wijzen. De Raad schat in dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] – nog meer dan nu al het geval is – klem en/of verloren zal raken bij instandhouding van het gezamenlijk gezag. De Raad acht het risico dat [de minderjarige] als gevolg van gezamenlijk gezag wordt belemmerd in haar ontwikkeling reëel. Ook acht hij het reëel dat de belangen van [de minderjarige] (en de vrouw) door het gezamenlijk gezag worden geschaad. Er is sprake van een complexe scheiding tussen ouders, waarbij zich meerdere malen (forse) geweldsincidenten en spanningen tussen ouders hebben voorgedaan. Er is tussen partijen al jaren geen contact. Moeder wil dit ook niet; zij is angstig voor de man. De Raad ziet geen mogelijkheden voor herstel van vertrouwen en de opbouw van samenwerking tussen partijen. De kans van slagen van hulpverlening gericht op de totstandkoming van samenwerking en communicatie tussen partijen acht de Raad gering, ook gelet op het belaste verleden van partijen. Daarnaast acht de Raad het relevant dat bepaalde zaken die voor [de minderjarige] geregeld moesten worden, geen doorgang kunnen vinden omdat de man hiervoor geen toestemming gaf. Zo heeft de man lange tijd geen toestemming willen geven voor het verlengen van de identiteitskaart van [de minderjarige], kon [de minderjarige] niet ingeschreven worden bij de huisarts en wilde de man geen toestemming geven voor de vakantie van [de minderjarige] met de vrouw naar Polen. De Raad heeft in zijn onderzoek meegewogen dat toewijzing van het verzoek van moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten een minder sterke juridische positie voor de man tot gevolg heeft. Echter, gezien de man al jaren een vader op afstand is en de vrouw hem al die tijd een plek in het leven van [de minderjarige] heeft gegeven, lijkt de rol van de man in het leven van [de minderjarige] gewaarborgd. Op de mondelinge behandeling heeft de Raad verder aangegeven dat hij naar aanleiding van de meest recent overgelegde stukken concludeert dat de verstandhouding tussen partijen niet zodanig verbeterd is dat hij tot een ander advies komt wat betreft het eenhoofdig gezag. De Raad ziet dat er weliswaar via WhatsApp enige communicatie plaatsvindt tussen partijen, maar ook dat dit snel escaleert. De Toegang heeft ook aan de Raad bericht dat de ervaring is dat als partijen samen iets over (hulp voor) [de minderjarige] moeten beslissen, het tot een escalatie tussen partijen leidt. De hulpverlening kan hierin dan niets bieden. Er zullen, gelet op haar kindeigenproblematiek, nog veel beslissingen over [de minderjarige] genomen moeten worden en de verwachting is niet dat partijen binnen afzienbare tijd samen deze beslissingen kunnen nemen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 13 mei 2025 is namens de Raad nogmaals naar voren gebracht dat het risico dat de man als vader uit het leven van [de minderjarige] verdwijnt als hij niet langer met het gezag belast zal zijn, gering wordt ingeschat. In deze procedure ligt het verzoek voor om een contactregeling te bepalen en ook tijdens het raadsonderzoek was er sprake van wekelijkse omgang. De Raad ziet dat, hoe ingewikkeld de verstandhouding tussen partijen ook is en ondanks het negatieve beeld dat de vrouw over de man heeft, zij het toch iedere keer weet op te brengen om de contacten tussen de man en [de minderjarige] tot stand te brengen en deze contacten te ondersteunen.
2.5.
De vrouw heeft bij F9-formulier van 6 december 2024 aangegeven dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad. Zij heeft op de mondelinge behandeling verder aangevoerd dat de man het afgelopen jaar heeft laten zien dat hij geen samenwerkingspartner is. Zodra personen of instanties hem niet volgen in zijn visie of wens, schiet hij uit zijn slof of neemt hij een zodanige houding aan dat instanties die de nodige hulp aan [de minderjarige] en/of henzelf moeten bieden, zich aan de situatie onttrekken. De situatie is aldus niet gewijzigd. Er is recent zelfs een kort geding nodig geweest om vervangende toestemming te verkrijgen voor een vakantie van de vrouw met [de minderjarige]. Uit de brief van 9 januari 2025 van de man volgt volgens de vrouw ook weer dat hij haar niet ziet als volwaardig ouder. Hij blijft de vrouw dreigend en/of denigrerend benaderen, wat bij de vrouw veel stress en negatieve emoties teweegbrengt. Toewijzing van het verzoek betekent volgens de vrouw niet dat er geen contact meer zal zijn tussen de man en [de minderjarige]. De vrouw begrijpt dat zij de plicht heeft om deze omgang in stand te houden en dat doet zij ook. Gelet op het voorgaande handhaaft de vrouw haar verzoek haar voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten.
2.6.
De man heeft bij brief van 9 januari 2025 aangegeven dat hij het niet eens is met de conclusies en het advies van de Raad. Volgens de man wordt hij nu al onvoldoende geïnformeerd door de vrouw over [de minderjarige] en zal het eenhoofdig gezag ertoe leiden dat de neiging van de vrouw om hem uit het leven van [de minderjarige] te weren, alleen maar sterker wordt. De situatie tussen ouders is op dit moment gecompliceerd, maar de man is bereid er hard aan te werken om de situatie te verbeteren. Op de mondelinge behandeling is namens de man verder aangevoerd dat hij het aangewezen vindt om de beslissing op het verzoek van de vrouw aan te houden. Er dient volgens hem eerst duidelijkheid te komen rondom de contactregeling. De man heeft de overtuiging dat als er rust ontstaat rondom de contacten tussen hem en [de minderjarige], dat er ook rust in de onderlinge verhouding tussen partijen gaat ontstaan en dat er dan een situatie kan ontstaan waarin partijen wel met elkaar tot afspraken over [de minderjarige] kunnen komen.
2.7.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank bepaalt dan aan wie van de ouders voortaan het gezag over het minderjarige kind toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
2.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Kort na de geboorte van [de minderjarige], op 23 februari 2017, hebben partijen in het gezagregister van deze rechtbank laten aantekenen dat zij voortaan gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast zijn. Partijen hadden toen een relatie en woonden in gezinsverband samen. De relatie tussen partijen is in 2020 geëindigd. In oktober 2022 heeft zich een ernstig geweldsincident tussen partijen voorgedaan, in het bijzijn van [de minderjarige]. De man is zowel door de rechtbank als het gerechtshof (in hoger beroep) veroordeeld voor de mishandeling van de vrouw. Tegen het arrest van het gerechtshof is de man in cassatie gegaan. De vrouw gaat confrontatie en communicatie met de man zoveel mogelijk uit de weg. Overleg tussen partijen vindt niet tot nauwelijks plaats. Dit leidt tot de conclusie dat sinds het ontstaan van het gezamenlijk gezag de omstandigheden zijn gewijzigd en dat de rechtbank zal beoordelen of het verzoek van de vrouw voor toewijzing in aanmerking komt.
2.9.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling van 13 mei 2025 leidt de rechtbank af dat de verstandhouding tussen partijen al lange tijd zeer slecht is. De vrouw geeft aan dat zij niet met de man wil communiceren; zij doet haar best om dat contact te vermijden en heeft daartoe onder andere meermaals haar telefoonnummer gewijzigd. Uit de door de man bij brief van 8 april 2025 overgelegde WhatsApp-gesprekken volgt dat in het geval er wel communicatie plaatsvindt tussen partijen, dit snel escaleert. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de contacten enorme spanningen bij haar veroorzaken. De situatie tussen haar en de man maakt haar zeer angstig en hopeloos, waardoor de vrouw, als de man haar (volgens haar) bedreigend benaderd, kan exploderen in die contacten. Door het belaste verleden van partijen en de explosieve dynamiek tussen hen lukt het partijen niet om tot overleg te komen en vrijwel alle gezagsbeslissingen die over [de minderjarige] genomen moeten worden, leiden tot onoplosbare discussies. Gebleken is ook dat het de betrokken hulpverlening niet lukt om met de man tot samenwerking te komen. De hulpverlening die [de minderjarige] nodig heeft raakt daardoor in een impasse. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het voorgaande dat [de minderjarige] klem zit tussen haar ouders. Zij moet zich op dit moment staande houden in een ingewikkelde vechtdynamiek tussen haar ouders, waarbij het in het verleden ook al tot fysiek handgemeen is gekomen tussen hen. Tegelijkertijd is er bij haar sprake van kindeigenproblematiek waarvoor zij hulpverlening nodig heeft. Voor een goede ontwikkeling van [de minderjarige] is het van belang dat er rust en stabiliteit komt, en dat de broodnodige hulpverlening aan de slag kan gaan. Het is niet in [de minderjarige]’s belang dat zij duurzaam belast wordt met het conflict tussen haar ouders over zaken die haar betreffen. Zo lang het gezamenlijk gezag in stand blijft, blijven er echter conflicten tussen partijen ontstaan. In het kader van een gezamenlijke gezagsuitoefening zal de vrouw namelijk steeds toenadering moeten blijven zoeken tot de man. De rechtbank neemt in haar beslissing ook mee dat dit ontzettend veel stress oplevert voor de vrouw en dat zij daarmee niet aan haar eigen traumaverwerking kan toekomen. Ook daar heeft [de minderjarige] last van. Anders dan de man, heeft de rechtbank niet de verwachting dat een beslissing over de contactregeling tussen de man en [de minderjarige] gaat leiden tot een substantiële wijziging in die situatie. Daarvoor is de verstandhouding tussen partijen te verstoord en hebben partijen een te belast verleden. Uit de stukken blijkt bovendien dat de man kampt met ernstige agressieregulatieproblematiek die verergert als hij onder invloed van alcohol is, maar dat behandeling daarvoor niet van de grond komt. Inzet van hulpverlening op verbetering van de communicatie en samenwerking tussen partijen acht de rechtbank bij deze stand van zaken zinloos. Zicht op verbetering van de situatie is er daarom niet binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de vrouw haar voortaan met het eenhoofdig gezag te belasten, toewijzen.
Ondertoezichtstelling
2.10.
Uit het rapport van de Raad volgt dat hij geen ondertoezichtstelling noodzakelijk acht. Er is weliswaar sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige], echter partijen zijn – los van elkaar – voldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de zorgen over [de minderjarige] weg te nemen en hulpverlening te accepteren, mits de noodzakelijke hulp wordt voortgezet en/of kan worden opgestart. Alhoewel partijen niet in staat zijn met elkaar te communiceren/samen te werken in de opvoeding van [de minderjarige], staan zij los van elkaar wel open voor de hulpverlening die noodzakelijk is voor [de minderjarige]. Ook maken partijen beiden gebruik van hulpverlening voor eigen persoonlijk functioneren.
2.11.
De man heeft bij brief van 9 januari 2025 laten weten het niet eens te zijn met de conclusie van de Raad. De man vindt het belangrijk dat een ondertoezichtstelling wordt ingesteld voor [de minderjarige]. Om die reden doet hij een zelfstandig verzoek hiertoe. De vrouw en [de minderjarige] zijn omgeven door een leger aan hulpverleners en het verleden heeft aangetoond dat de coördinatie van alle hulp en het bewaken van de regie en continuïteit van die hulp niet iets is dat de vrouw zelf kan realiseren. Er is een onafhankelijke regievoerder nodig. Verder heeft de vrouw in het verleden laten zien dat zij de man niet informeert over belangrijke zaken met betrekking tot [de minderjarige]. Tot slot heeft de man nu alleen recht op begeleide omgangsmomenten. De begeleide omgang bij het Leger des Heils is echter gestopt. Er is een andere omgangsbegeleider gezocht en gevonden, maar de vrouw zegt de contactmomenten steeds af. Ook om te waarborgen dat de vrouw haar medewerking aan de omgang blijft verlenen, is een ondertoezichtstelling noodzakelijk.
2.12.
De vrouw heeft bij F9-formulier van 6 december 2024 aangegeven dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. Uit het raadsrapport volgt duidelijk dat de vrouw open staat voor hulpverlening om de ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] weg te nemen. Ook werkt de vrouw mee aan omgangsbegeleiding. Er is geen grond voor een ondertoezichtstelling volgens de vrouw.
2.13.
Ingevolge artikel 1:255 lid 2 BW Pro is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek tot ondertoezichtstelling indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
2.14.
De rechtbank stelt voorop dat de man, nu de Raad na zijn daartoe gedane beschermingsonderzoek geen verzoek tot ondertoezichtstelling heeft gedaan, ontvankelijk is in zijn verzoek tot het doen van een verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige]. De rechtbank is echter van oordeel dat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten voor het toewijzen van dat verzoek en overweegt daartoe als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling volgt dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige]. Er is sprake van een zorgelijke combinatie van kindeigenproblematiek en een systeem om haar heen dat, zoals hiervoor in het kader van het eenhoofdig gezag reeds is benoemd, erg ingewikkeld en conflictueus is. Dat vraagt om hulpverlening voor [de minderjarige]. Echter, de zorg die nodig is voor het wegnemen van die bedreiging wordt in ieder geval door de vrouw, die ingevolge deze beslissing van de rechtbank met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] belast zal zijn, voldoende geaccepteerd. Bij de vrouw en [de minderjarige] zijn veel hulpverleners betrokken en de benodigde hulpverlening komt dus ook van de grond in een vrijwillig kader. Een gedwongen kader is dus niet nodig om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. De vrees van de man dat de vrouw de in deze beschikking op te leggen omgangsregeling niet zal nakomen – wat daar verder ook van zij - vormt geen rechtsgeldige reden om [de minderjarige] onder toezicht te stellen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen.
Omgang
2.15.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij de omgang die werd uitgevoerd vastgelegd wil zien in een beschikking, omdat de vrouw de contacten verhindert. Leger des Heils begeleidde de omgangsmomenten, maar biedt niet langer omgangsbegeleiding aan. Er is een andere begeleider gezocht en gevonden, maar de vrouw zegt de omgangsmomenten steeds af. De man zou graag zien dat op een gegeven moment zijn moeder degene is die de omgang gaat begeleiden. Zij kan [de minderjarige] ophalen en naar de man brengen. Zij kan heel goed inschatten of de man er goed aan toe is en of omgang veilig is voor [de minderjarige]. Ook voor [de minderjarige] is het prettig als de voor haar vertrouwde oma de omgang begeleidt. Daarnaast verhindert de vrouw ook dat [de minderjarige] contact heeft met haar halfzusje [naam], terwijl daar geen enkele reden voor is. [de minderjarige] dient de mogelijkheid te krijgen om haar zusje [naam], en straks haar halfbroertje, te leren kennen. [naam] is momenteel weliswaar uithuisgeplaatst, maar er wordt gewerkt aan haar terugplaatsing in het gezin van vader en zijn partner.
2.16.
De vrouw heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij kan instemmen met de door de man verzochte omgangsregeling, met dien verstande dat de omgang moet worden begeleid door een professionele derde die kan waarborgen dat de omgangsmomenten veilig zijn voor [de minderjarige]. Dit is niet een taak die in handen van oma vaderszijde gelegd moet worden. Daarnaast vindt de vrouw dat de focus voorlopig nog moet liggen op het contact tussen de man en [de minderjarige]. Dat heeft prioriteit boven omgang met de nieuwe partner van de man en het halfzusje [naam]. De situatie rondom [naam] is nog onduidelijk en onzeker. Verder zal de man waarschijnlijk nog geruime tijd in detentie moeten om een straf uit te zitten. De vrouw vindt het niet in het belang van [naam] dat ingezet wordt op omgang met het hele gezinssysteem van de man, en dat zij vervolgens weer geruime tijd van contact met haar vader en diens gezinsleden verstoken zal zijn. Volgens de vrouw moet daarom pas na de detentie worden gekeken naar omgang waarbij ook [naam] aanwezig is. Dat kan volgens haar nu nog niet aan de orde zijn.
2.17.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat de begeleide omgangsregeling zoals die nu is, kan worden voortgezet en vastgelegd in een beschikking. De Raad vindt dat voorlopig moet worden gefocust op de contacten tussen de man en [de minderjarige]. Dit betekent niet dat de partner van de man gedwongen wordt het huis te verlaten als [de minderjarige] daar omgang met de man heeft, maar de omgangsbegeleider dient er wel op toe te zien dat de omgang vooral ziet op het contact tussen de man en [de minderjarige], zonder teveel inmenging door bijvoorbeeld de partner van de man. Uiteindelijk kunnen afspraken worden gemaakt over de aanwezigheid van [naam] bij de omgang ook rekening houdende met de wens van [de minderjarige] om haar halfzusje te leren kennen. Maar dat is volgens de Raad nu nog niet aan de orde. Verder heeft de Raad in het raadsrapport aangegeven dat begeleiding van de omgang door oma vaderszijde niet wenselijk is. Hoewel oma een warme band heeft met [de minderjarige], en zij probeert te bemiddelen tussen partijen, bestaat het risico op partijdigheid en verlies van neutraliteit. Daarom dient een onafhankelijke professional de omgangsmomenten te begeleiden.
2.18.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
2.19.
De rechtbank constateert dat er nog niet eerder een contactregeling is bepaald. Verder is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een omgangsregeling moet worden vastgelegd waarbij de man en [de minderjarige] gedurende één middag per week omgang hebben onder begeleiding van een derde. Ook de rechtbank acht deze regeling in het belang van [de minderjarige], die blijkens het raadsrapport erg geniet van de contacten met haar vader. Tussen partijen is in geschil of de omgang moet worden begeleid door een professionele derde of door de moeder van de man, of het in het belang is van [de minderjarige] om de omgang te laten plaatsvinden in de woning van de man waar ook de partner van de man aanwezig is en of ook het halfzusje van [de minderjarige], [naam], daarbij aanwezig moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de omgangsmomenten te worden begeleid door een professionele hulpverlener. Het is niet wenselijk dat dit wordt begeleid door iemand uit het netwerk van partijen, gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen en het risico om meegezogen te worden in het conflict van partijen. Een professionele hulpverlener zal met zijn of haar kennis verder beter in staat te zijn de omgang te begeleiden en in te richten op een wijze die het meest in het belang is van [de minderjarige]. Daarbij is het aan die omgangsbegeleider om te beoordelen of het verantwoord is om de omgang in de woning van de man te laten plaatsvinden. In die thuissituatie wonen ook de nieuwe partner van de man en is ook [naam] regelmatig aanwezig. De partner van de man is momenteel zwanger, dus zal er op korte termijn ook nog een halfbroertje in de thuissituatie van de man aanwezig zijn. Het is aan de omgangsbegeleider om ook die factoren in aanmerking te nemen bij de afweging waar de omgang tussen vader en [de minderjarige] plaatsvindt. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij op zeker moment kennis maakt met haar halfzus en -broertje, maar de omgangsmomenten dienen primair gericht zijn op het contact tussen de man en [de minderjarige]. Het is aan de omgangsbegeleider om op dat vlak aanwijzingen te geven, die partijen ook moeten opvolgen. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen overeenkomstig het voorgaande. Hoewel niet verzocht, zal de rechtbank de beslissing over de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat de rechtbank dit in het belang van [de minderjarige] acht.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat het gezag over [de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats], voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
3.2.
bepaalt dat de man en genoemde [de minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende één middag per week, onder begeleiding van een professionele hulpverlener, waarbij partijen gehouden zijn zich aan de aanwijzingen van die omgangsbegeleider te houden ten aanzien van de omgang en deze aanwijzingen ook op te volgen, één en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.19;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.