ECLI:NL:RBZWB:2025:4952

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
C/02/413469 FA RK 23-4110
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Pulskens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder wegens onaanvaardbaar risico voor minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 mei 2025 uitspraak gedaan in een zaak betreffende het gezag over een minderjarige na echtscheiding van de ouders. De echtscheiding was reeds uitgesproken en de verdeling van gemeenschappelijke goederen geregeld. De moeder verzocht om het gezag voortaan alleen aan haar toe te wijzen.

De Raad voor de Kinderbescherming bracht een rapport uit waarin werd geadviseerd het verzoek van de moeder toe te wijzen. De Raad stelde vast dat de vader al bijna drie jaar geen contact meer heeft met de minderjarige en ook niet met de moeder communiceert. Dit leidt tot spanningen bij het kind en het risico dat het kind klem raakt tussen de ouders. Zowel de moeder als de vader stemden in met het advies van de Raad.

De rechtbank overwoog dat aan de wettelijke voorwaarden voor wijziging van het gezamenlijk gezag was voldaan. De vader heeft geen contact meer met het kind, is niet betrokken bij beslissingen en wil het gezag niet meer uitoefenen. Het belang van het kind vereist dat het gezag aan de moeder wordt toegekend. De rechtbank besloot dan ook het gezag eenhoofdig aan de moeder toe te wijzen.

Uitkomst: Het gezag over de minderjarige wordt eenhoofdig aan de moeder toegekend wegens het ontbreken van contact en betrokkenheid van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/413469 FA RK 23-4110
datum uitspraak: 23 mei 2025
nadere beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. J.B. de Bree,
(advocaat was: mr. I. van Dijk-van Oosterhout),
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. J.C. Hissink.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 17 juli 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 januari 2025 en 19 maart 2025, met als bijlage het onderzoeksrapport;
- het F9-formulier van mr. Hissink van 27 maart 2025;
- het F9-formulier van mr. De Bree van 3 april 2025.

2.De nadere beoordeling

2.1.
Bij voormelde beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 4.19, 4.21 en 4.22. Verder is bepaald dat de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van voormelde beschikking in de registers van de burgerlijke stand, is bepaald dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen van € 167,= per maand en is bepaald dat de man, uit hoofde van regres, aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 762,96. Daarnaast is het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] , (hierna: [minderjarige] ) bij de vrouw bepaald en is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek in te stellen naar het ouderlijk gezag. Afgewezen zijn de verzoeken met betrekking tot de benoeming van een bijzondere curator, de vergoedingsrechten in verband met letselschade-uitkeringen, de opstal- en overlijdensrisicoverzekering, het bijdragen in de lasten van de echtelijke woning, de schadevergoeding voor de inbraak in de woning, het meer of anders verzochte wat betreft de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en het meer of anders verzochte wat betreft de hypotheeklasten van de woning en de lasten van de opstal-, inboedel- en overlijdensrisicoverzekering.
2.2.
Aan de rechtbank ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw dat zij voortaan alleen met het gezag zal zijn belast over [minderjarige] .
2.3.
Uit het rapport van de Raad volgt dat hij adviseert de vrouw voortaan alleen te belasten met het gezag over [minderjarige] . Naar de visie van de Raad is [minderjarige] klem en verloren geraakt tussen zijn ouders. Er is geen sprake van een samenwerking tussen partijen en er is geen enkele vorm van communicatie mogelijk. De man is al bijna drie jaar niet meer betrokken bij [minderjarige] en de vrouw draagt sinds juni 2022 de volledige verantwoordelijkheid over [minderjarige] . De vrouw kan niet met de man overleggen, omdat hij geen contact wil met de vrouw. Hierdoor moet alles via de advocaat van de man lopen. Het kan hierdoor langer duren voordat beslissingen over [minderjarige] worden genomen. De man geeft aan ook niet bereikbaar te zijn voor de vrouw op cruciale momenten wanneer er bijvoorbeeld een medisch probleem zou zijn met [minderjarige] . Deze onduidelijkheid roept ook bij [minderjarige] spanning op. [minderjarige] geeft ook aan bang te zijn voor de man en het daarom spannend te vinden dat de man mee kan beslissen over hem. De man geeft onvoldoende uitvoering aan het gezag en is ook niet bereid hieraan nog mee te willen werken. Verder is het ook niet in het belang van [minderjarige] dat de man nog beslissingen over hem neemt omdat, naast het volledig ontbreken van contact, de man ook niet op andere manieren betrokken is bij [minderjarige] . De man heeft hierdoor geen beeld van de ontwikkeling van [minderjarige] en van wat hij nodig heeft. Er is geen verwachting dat binnen afzienbare tijd verandering komt in het voorgaande, omdat er vanuit de man geen behoefte en bereidheid is om meer betrokken te worden bij [minderjarige] , om beslissingen mee te nemen over hem of om geïnformeerd te worden over [minderjarige] . Ook het contact tussen partijen zal niet hersteld gaan worden, omdat de man nooit meer contact wil met de vrouw.
2.4.
Bij F9-formulier van 27 maart 2025 is namens de man bericht dat hij instemt met het advies van de Raad. Het verzoek van de vrouw betreffende het eenhoofdig gezag kan wat hem betreft worden toegewezen. Hij verzoekt de zaak verder schriftelijk af te doen.
2.5.
Bij F9-formulier van 3 april 2025 is namens de vrouw bericht dat ook zij kan instemmen met het advies van de Raad. Zij handhaaft gelet daarop haar verzoek met betrekking tot het eenhoofdig gezag. Ook de vrouw verzoekt de zaak schriftelijk af te doen.
2.6.
Nu partijen wensen dat de zaak schriftelijk wordt afgedaan en de rechtbank zich gelet op de informatie in het dossier, en dan met name het rapport van de Raad, voldoende geïnformeerd en in staat acht op basis van het schriftelijke dossier een beslissing te nemen, zal, zonder nadere behandeling van deze zaak op een mondelinge behandeling, worden beslist op grond van de hiervoor vermelde stukken.
2.7.
Op grond van artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen na ontbinding van het huwelijk bepalen dat het gezag over het kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
2.8.
De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke gronden voor wijziging van het gezamenlijk gezag en bepaling dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vrouw alleen toekomt en overweegt daartoe als volgt. Partijen hebben al bijna drie jaar geen contact meer met elkaar. De man heeft hierover aan de Raad aangegeven dat hij al het vertrouwen in de vrouw is verloren. Hij wil absoluut niets meer te maken hebben met de vrouw. Als gevolg hiervan heeft hij [minderjarige] ook losgelaten en wenst hij ook het gezag niet meer uit te oefenen over hem. De man en [minderjarige] hebben inmiddels ook al bijna drie jaar geen contact meer. Ook de vrouw heeft in het gesprek met de Raad aangegeven dat de man niet meer met haar in contact wil treden. Zij kan de man niet bereiken in geval van spoed en de man werkt niet mee aan beslissingen over [minderjarige] . Daarvoor moet nu telkens via de advocaat van de man gecommuniceerd worden. Deze situatie zorgt bij [minderjarige] voor veel spanning. Hij heeft in het gesprek met de Raad aangegeven dat hij bang is dat de man dwars gaat zitten als hij naar de middelbare school moet of als hij met het gezin op vakantie zou willen. Net als de Raad is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] gelet op het voorgaande klem of verloren is geraakt tussen zijn ouders. Het is voor partijen niet mogelijk om te communiceren en samen beslissingen te nemen over [minderjarige] . Dit kan tot gevolg hebben dat belangrijke beslissingen voor [minderjarige] niet of niet tijdig kunnen worden genomen. [minderjarige] ondervindt hier tevens heel duidelijk problemen en spanningen van. De verwachting is ook niet dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in komt. De man heeft immers professionele hulp gehad na de contactbreuk met [minderjarige] , maar wil nog steeds geen contact met de vrouw, wil niet meer betrokken worden bij [minderjarige] en wil ook niet meer belast zijn met het gezag over de minderjarige. Daarnaast is de man, gelet op de volledige contactbreuk tussen hem en de vrouw en [minderjarige] , ook niet meer in staat om beslissingen te nemen over de minderjarige. Hij is namelijk niet op de hoogte van hoe het met [minderjarige] gaat en wat in zijn belang is. Het is gelet daarop dus ook anderszins in het belang van [minderjarige] om het gezag te wijzigen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag wordt belast over [minderjarige] .

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] , voortaan aan de vrouw alleen toekomt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.