De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vrouw om partneralimentatie van de man vast te stellen op € 2.755 per maand. De man betwistte zowel de behoefte van de vrouw als zijn financiële draagkracht. De rechtbank hanteerde de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie en de hofnorm om de behoefte te bepalen, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2023 als uitgangspunt werd genomen.
De rechtbank oordeelde dat het bruto jaarinkomen van de man van € 120.000 niet betrouwbaar was vanwege fiscale bijtelling en incidentele aandelenopties. Het basissalaris van € 6.318,26 bruto per maand plus 8% vakantiegeld werd als juiste basis genomen, resulterend in een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.527 per maand en een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van circa € 3.750 netto per maand.
De vrouw kon echter onvoldoende aantonen dat zij behoeftig was. Ondanks haar medische klachten en het ontbreken van inkomsten uit haar voormalige bedrijf, ontbrak het aan bewijs van haar huidige arbeidsongeschiktheid en volledige financiële situatie. De rechtbank concludeerde dat de vrouw haar stelplicht en bewijslast niet had voldaan en wees het verzoek tot partneralimentatie af.
Verder wees de rechtbank het verzoek van de man tot limitering van de alimentatieduur af, omdat het Nederlandse recht van toepassing is. Ook werd het verzoek tot veroordeling van de vrouw in proceskosten afgewezen, waarbij de rechtbank de hoofdregel van kostencompensatie handhaafde en geen aanwijzingen zag voor procedurele vertraging door de vrouw.