ECLI:NL:RBZWB:2025:4897

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
C/02/432692 FA RK 25-1161
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 Brussel II-Verordening (EU) 2019/1111Art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijf en zorgregeling minderjarige kinderen met aanhouding gezagsbeslissing

Partijen, voormalige partners met drie minderjarige kinderen, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De kinderen waren onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) en er waren diverse eerdere zorgregelingen vastgesteld.

De moeder verzocht om wijziging van het hoofdverblijf van twee kinderen naar haar, wijziging van de zorgregeling, eenhoofdig gezag en vervangende toestemming voor schoolinschrijving en identiteitsbewijzen. De vader betwistte de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en voerde verweer tegen de verzoeken.

De rechtbank oordeelde dat zij internationaal bevoegd is en Nederlands recht toepasselijk is. Het hoofdverblijf van de twee kinderen wordt gewijzigd naar de moeder, en de moeder krijgt vervangende toestemming voor schoolinschrijving en identiteitsbewijzen. De zorgregeling wordt voorlopig vastgesteld met contactmomenten in de even weken en de GI krijgt de regie over uitbreiding.

Het verzoek tot eenhoofdig gezag en definitieve wijziging van de zorgregeling wordt aangehouden in afwachting van een raadsonderzoek naar de veiligheid en belangen van de kinderen. De rechtbank motiveert dit vanwege zorgen over de situatie bij de vader, waaronder veiligheidsproblemen en gebrekkige samenwerking.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de zaak wordt pro forma aangehouden tot 7 oktober 2025 voor verdere behandeling van het gezagsverzoek en zorgregeling.

Uitkomst: Hoofdverblijf van twee kinderen gewijzigd naar moeder, voorlopige zorgregeling vastgesteld, verzoek tot eenhoofdig gezag aangehouden voor nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/432692 FA RK 25-1161
datum uitspraak: 2 juni 2025
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en vervangende toestemming
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Elias ,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.M. Bakker .
Als informant in deze zaak wordt gezien:
de
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling ( GI ), locatie Tilburg .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda , hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 27 februari 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- de referteverklaring van de man, ingediend door mr. Bakker , van 27 maart 2025;
- het e-mailbericht van mr. Bakker van 15 april 2025, waarin de referteverklaring is ingetrokken;
- het op 19 mei 2025 ontvangen verweerschrift, met bijlagen;
- het op 21 mei 2025 ontvangen aanvullend/gewijzigd verzoek;
- de brief van mr. Elias van 27 februari 2025;
- de e-mailberichten van de man van 22 april 2025, met bijlagen, 1 mei 2025 en 2 mei 2025;
- de brief van mr. Bakker van 22 mei 2025, met bijlagen;
- de brief van de man van 23 mei 2025;
- de beschikking van deze rechtbank van 15 december 2021;
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 juli 2024 betreffende verlenging van de ondertoezichtstelling;
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 juli 2024 betreffende de wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 maart 2025;
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 9 mei 2025;
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 mei 2025.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 26 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en twee vertegenwoordigers van de GI . De man was digitaal aanwezig middels een Teams-verbinding.
1.3. Op de mondelinge behandeling is gelijktijdig behandeld het verzoek van de GI tot wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) in de zaak met zaaknummer C/02/434663 JE RK 25-762. Op dit verzoek is bij aparte beschikking van heden beslist.

2.De feiten

2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad van 2016 tot en met 2019;
- uit die relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2018;
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2019.
Genoemde kinderen zijn door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderen zijn met ingang van 16 augustus 2024 onder toezicht gesteld van de GI . Bij beschikking van 23 juli 2024 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 16 augustus 2024 tot 16 augustus 2025.
2.3.
Bij beschikking van 15 december 2021 is een zorgregeling bepaald en is bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zal zijn en het hoofdverblijf van [minderjarige 3] bij de vrouw.
2.4.
Bij beschikking van 23 juli 2024 is de zorgregeling gewijzigd en is bepaald dat partijen en de kinderen gerechtigd zijn tot contact met elkaar op de volgende wijze:
- de ene week verblijven de kinderen van maandag na school tot woensdag voor school bij de man. De vrouw haalt de kinderen woensdag van school. Zij verblijven daar tot en met zondag. De vrouw brengt de kinderen de volgende dag (maandag) naar school;
- de andere week verblijven de kinderen van maandag na school tot donderdag voor school bij de man. Op donderdag haalt de man de kinderen van school en brengt deze vrijdag naar school. Op vrijdag haalt de man de kinderen van school en blijven zij daar tot en met zondag. De man brengt hen de volgende dag (maandag) naar school;
- de wisselmomenten vinden plaats op school. Welke ouder de kinderen naar school brengt of van school haalt is afhankelijk van de regeling die op dat moment geldt. Deze haal-/brengregeling geldt ook bij aanvang van en na afloop van de vakanties;
- alsmede een verdeling van de vakanties en feestdagen op de wijze zoals in die beschikking weergegeven.
2.5.
Bij beschikking van 10 maart 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is, onder tijdelijke wijziging van de beschikking van 23 juli 2024, bepaald dat de man en de kinderen voor de duur van acht weken, zijnde tot 7 mei 2025, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal in de even weken op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt aan de slagboom van de camping in België waar de man verblijft. De vrouw brengt en haalt de kinderen. Wanneer de vrouw opmerkt dat de man alcohol gedronken heeft, neemt zij de kinderen weer mee terug.
2.6.
Bij spoedbeschikking van 9 mei 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is bepaald dat de bij beschikking van 10 maart 2025 gewijzigde zorgregeling wordt voortgezet voor de duur van twee weken, zijnde tot 23 mei 2025. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden.
2.7.
Bij beschikking van 22 mei 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is beslist op het resterende deel van het verzoek van de GI en is bepaald dat de man en de kinderen gerechtigd zijn tot contact, voor de duur van drie weken, zijnde tot 13 juni 2025, op zaterdag in de even weken tussen 10:00 uur en 19:00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt op het adres van de vrouw. Wanneer de vrouw opmerkt dat de man alcohol heeft gedronken, geeft zij de kinderen niet mee. Verder is er ook contact gedurende belmomenten, twee keer per week, op maandag en donderdag tussen 18:00 uur en 18:30 uur (en niet op andere dagen/tijden), waarbij de man belt naar de vrouw. De GI is belast met de regie over een eventuele uitbreiding van de contacten tussen de man en de kinderen.
2.8
Partijen en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt:
I. bepaling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar, waarbij de vrouw de rechthebbende is tot alle financiële tegemoetkomingen verbonden aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
II. de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat:
  • de kinderen voortaan eenmaal in de twee weken bij de man verblijven op de zaterdag in de even weken van 10:00 uur tot 19:00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt op het adres van de vrouw;
  • alsmede gedurende een belmoment op de maandag en donderdag tussen 18:00 uur en 18:30 uur, waarbij de man naar de vrouw belt. Op andere momenten wordt er niet met de kinderen gebeld;
  • gedurende Vaderdag tussen 10:00 uur en 19:00 uur waarmee de zorg op de zaterdag in dat weekend komt te vervallen, alsmede één kerstdag tussen 10:00 uur en 19:00 uur, waarbij dit in de even jaren eerste kerstdag zal zijn en in de oneven jaren tweede kerstdag;
III.
primair:bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de kinderen toekomt;
-
subsidiair:
  • haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te schrijven op de [basisschool] in [woonplaats 1] ;
  • haar vervangende toestemming te verlenen om een identiteitsbewijs voor de kinderen aan te vragen.
Bij de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar onder III. genoemde verzoek gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt:
III. bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de kinderen toekomt;
IV. bepaling dat haar ter vervanging van de toestemming van de man:
  • vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te schrijven op de [basisschool] in [woonplaats 1] ;
  • vervangende toestemming wordt verleend om een identiteitsbewijs voor de kinderen aan te vragen.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Gelet op de woonplaats van de man in België heeft deze zaak internationaalprivaatrechtelijke aspecten, waardoor de rechtbank dient te bepalen of zij internationaal bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dat het geval is, dient zij het toepasselijk recht te bepalen.
4.2.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het moment van indiening van het verzoekschrift, met toestemming van de man, bij haar ingeschreven stonden. Gelet daarop hebben zij hun gewone verblijfplaats bij de vrouw in Nederland en is de Nederlandse rechter bevoegd.
4.3.
De man heeft op de mondelinge behandeling aangegeven de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten. Het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is immers bij de man bepaald en hij woont in België. Gelet daarop is volgens hem hun gewone verblijfplaats in België en is de Belgische rechter bevoegd.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De verzoeken van de vrouw betreffen kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid. Uit artikel 7, eerste lid van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder te noemen: Brussel II-
terVerordening) volgt dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft internationaal bevoegd zijn om over het verzoek te oordelen en daarop te beslissen. De rechtbank gaat hierbij uit van de situatie ten tijde van de indiening van het verzoek. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dat moment formeel hun hoofdverblijf hadden bij de man en de man in België woont, is de rechtbank van oordeel dat alle drie de kinderen toen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan namelijk in Nederland naar school en ook [minderjarige 3] zal in Nederland naar school gaan. Verder zijn alle kinderen onder toezicht gesteld door de GI , welke GI in Nederland is gevestigd en wordt ook hulpverlening in Nederland ingezet voor de kinderen. Ten slotte hebben partijen en de kinderen de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank acht zich gelet op het voorgaande internationaal bevoegd om te beslissen op de verzoeken van de vrouw.
4.5.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Hoofdverblijf
4.6.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de man instemt met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen. Zij zijn inmiddels met toestemming van de man ingeschreven op het adres van de vrouw. Nu niet is gebleken dat het belang van deze kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank dit verzoek als onweersproken en als op de wet gegrond toewijzen.
4.7.
Met deze wijziging van het hoofdverblijf en de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het adres van de vrouw, zal de vrouw ook automatisch aanspraak maken op de financiële tegemoetkomingen voor hen, zoals kinderbijslag en andere (fiscale) toeslagen. De vrouw heeft gelet daarop geen belang bij haar verzoek om te bepalen dat zij rechthebbende is tot alle financiële tegemoetkomingen verbonden aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Gezag en wijziging van de zorgregeling
4.8.
De vrouw legt het volgende aan haar verzoeken met betrekking tot het gezag en de zorgregeling ten grondslag. De handelingen vanuit de zijde van de man vanaf februari 2025 maar ook de periode daarvoor, bijvoorbeeld ten aanzien van het niet toestaan van logopedie voor [minderjarige 3] en het niet inschrijven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een adres (in België of in Nederland) en hier maanden in vertragen, maken dat de man niet meer in staat is het gezag te hebben over de kinderen. Sinds februari 2025 is onder andere [naam 1] , de zoon van de man en zijn huidige vrouw [naam 2] , in België uit huis geplaatst, en verblijft [naam 2] in België in een maatschappelijke opvang met een code rood. De man misbruikt zijn gezag veel en op essentiële momenten. Ook geeft hij daarnaast blijk van het niet kunnen inleven in de belevingswereld van de kinderen. Zo werkt hij niet mee aan de aanvraag van een identiteitskaart, logopedie voor [minderjarige 3] , hulpverlening voor alle kinderen, inschrijving van de kinderen op school en bij een huisarts. Ook confronteert hij de kinderen binnen twee maanden met een nieuwe partner op een moment dat hij hen al weinig ziet. Er is blijkbaar sprake van een groot alcoholprobleem en [naam 2] meldt dat zij mentaal bedreigd en mishandeld is. Gelet op het voorgaande zitten de kinderen volgens de vrouw klem tussen partijen. Ook is het volgens de vrouw in het belang van de kinderen dat de zorgregeling wordt gewijzigd. Uit het voorgaande volgt volgens de vrouw voldoende dat de omstandigheden zijn gewijzigd; er is dan ook een rechtsgrond voor haar verzoeken. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij zich kan voorstellen dat de Raad onderzoek zal doen naar zowel het gezag als de zorgregeling. Zij verzoekt dan ook om de Raad zo’n onderzoek te laten doen.
4.9.
De man voert gemotiveerd verweer. Er zijn geen gewijzigde omstandigheden die maken dat het gezag en de zorgregeling moeten worden gewijzigd. Uit het niets veronderstelde de GI opeens dat de woonplaats van de man op de camping in België niet goed zou zijn voor de kinderen. Dit is een woonplaats waar de man al drie jaar met de kinderen verblijft en waar de vrouw ook veelvuldig heeft verbleven. Alles is gebaseerd op een aanname van de GI veroorzaakt door een boze ex-partner ( [naam 2] ). Dit kan naar de mening van de man geen reden zijn om de zorgregeling te verminderen van een co-ouderschap naar een dag in de twee weken, zeker niet nu de vrouw ook niet altijd stabiel is. De GI heeft altijd aangegeven in haar verslaglegging dat het risico van kinderonveiligheid bij de man laag is en bij de vrouw midden tot hoog. Het is voor de man daarom onbegrijpelijk dat de vrouw en de GI zich willen beperken tot een minimale regeling. Na het avondeten drinkt de man wat biertjes, maar het gaat hem te ver om te stellen dat er bij hem sprake is van drankmisbruik. Dit ontkracht hij al jaren en is nimmer bewezen. Op de mondelinge behandeling heeft de man verder aangegeven dat ook hij ermee kan instemmen dat de Raad onderzoek zal doen naar het gezag en de zorgregeling.
4.10.
De GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie bij de man. Zij ziet bij hem onvoorspelbaar gedrag en dat hij moeite heeft met emotieregulatie. Hij belast de kinderen met volwassenzaken en bedreigt de jeugdzorgwerker en de betrokken hulpverleners. Ook geeft hij eerst wel toestemming voor zaken rondom de kinderen en vervolgens trekt hij deze weer in. Nu de kinderen hoofdzakelijk bij de vrouw verblijven ziet de GI dat zij rust en stabiliteit ervaren. Er staat een heel team aan hulpverlening om de vrouw heen die haar ondersteunt. Met de man is op dit moment geen samenwerking mogelijk en hij accepteert geen hulpverlening. De GI kan hierdoor geen zicht krijgen op zijn situatie. Daarnaast hebben hulpverleners zich ook teruggetrokken uit de situatie van de man omdat zij zich door zijn bedreigingen onveilig voelen. Ook de jeugdzorgwerker voelt zich niet veilig genoeg om nu bij de man in België langs te gaan om meer zicht te krijgen op zijn situatie.
4.11.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling aangegeven grote zorgen te hebben over hoe het nu gaat rondom de man en dat er op dit moment geen hulpverlening bij hem, mede wegens veiligheidsoverwegingen, betrokken is. In het verleden ging het overleg tussen de man en de GI en partijen wel goed, en stond de man ook open voor hulpverlening. De Raad vraagt zich af waarom dit nu anders is en of dit kan veranderen. Het eenhoofdig gezag is erg verstrekkend en de Raad acht het van belang dat een raadsonderzoek zal plaatsvinden. Ook de invulling van de zorgregeling kan in dit raadsonderzoek worden meegenomen. De Raad acht het verder in het belang van de kinderen dat de zorgregeling die nu wordt uitgevoerd wordt voortgezet, waarbij de GI dient te blijven onderzoeken of deze regeling kan worden uitgebreid. Dit moet wel veilig zijn voor de kinderen.
4.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de relatie van de man met [naam 2] , de moeder van [naam 1] , in februari 2025 is beëindigd, waarna de nodige onrust is ontstaan. De betrokken hulpverleners hebben zich teruggetrokken uit de situatie van de man wegens veiligheidsredenen. Inmiddels heeft de GI ook geen zicht meer op de situatie van de man, omdat haar medewerkers zich ook onveilig voelen om bij de man langs te gaan. Er zijn voorts meldingen gedaan door Veilig Thuis over de situatie van de man. De verhouding tussen de man en de GI en partijen is op scherp komen te staan. Een goed overleg tussen hen is op dit moment niet mogelijk en daardoor is het ook niet mogelijk te beoordelen of de situatie van de man op dit moment (voor de kinderen) veilig is, terwijl de GI wel – zoals hiervoor vermeld – verschillende signalen heeft ontvangen dat dit niet of onvoldoende het geval is. Verder heeft deze situatie tevens tot gevolg dat ook over gezagsbeslissingen geen overleg kan plaatsvinden en geen beslissingen in gezamenlijkheid kunnen worden gemaakt. Zo moeten er beslissingen worden genomen over het speciaal onderwijs voor [minderjarige 3] en moeten er identiteitskaarten voor de kinderen worden aangevraagd. Het lukt partijen niet om hier samen afspraken over te maken. De rechtbank acht zich gelet op het voorgaande op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over het verzoek met betrekking tot het gezag en een definitieve beslissing over de wijziging van de zorgregeling. De rechtbank verzoekt daarom de Raad een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide partijen, een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen partijen en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de kinderen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat partijen als ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- In hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door partijen tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de beslissing ten aanzien beide voornoemde verzoeken worden aangehouden.
4.13.
De rechtbank overweegt wat betreft een (tijdelijke) wijziging van de zorgregeling als volgt. Ingevolge artikel 1:253a juncto 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Gebleken is dat partijen eerst een co-ouderschapsregeling uitvoerden, maar gelet op alle zorgen van de GI en andere betrokken hulpverleners is de zorgregeling tijdelijk gewijzigd van een co-ouderschapsregeling naar een regeling waarbij de man contact heeft met de kinderen gedurende één dag per twee weken. Ook is gebleken dat de communicatie tussen partijen en de man en de GI , in tegenstelling tot het verleden, niet meer goed verloopt. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank wijzigingen die ertoe leiden dat de zorgregeling moet worden gewijzigd. De rechtbank begrijpt dat de grote wijziging in de zorgregeling frustraties bij de man teweeg hebben gebracht en zijn houding ook daardoor is beïnvloed. Als in het raadsonderzoek duidelijkheid komt over de situatie van de man en de veiligheid van de kinderen als zij bij hem verblijven, sluit de rechtbank niet uit dat weer een uitgebreide zorgregeling kan worden uitgevoerd. Echter, op dit moment is het naar het oordeel van de rechtbank in het belang van de kinderen dat de zorgregeling zoals die nu wordt uitgevoerd wordt voortgezet. Deze regeling brengt de kinderen rust en stabiliteit. Een uitgebreidere zorgregeling met de man is, gelet op alle zorgen en nu er geen zicht is op de situatie bij de man, op dit moment niet in het belang van de kinderen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de vrouw in die zin toewijzen waarbij er een voorlopige zorgregeling zal worden vastgesteld, en daarbij bepalen dat de GI de regie heeft over uitbreiding van deze regeling in het geval zij dit veilig acht voor de kinderen. Het verzoek met betrekking tot Vaderdag zal worden toegewezen, nu dit deel van het verzoek niet door de man is weersproken. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat tijdens de vakanties de regels van de reguliere zorgregeling blijven gelden. Een definitieve beslissing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling, waaronder het deel van het verzoek dat ziet op de kerstdagen, zal worden aangehouden in afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek.
Vervangende toestemming inschrijving school en het aanvragen van een identiteitskaart
4.14.
De vrouw legt het volgende aan haar verzoeken met betrekking tot de vervangende toestemming ten grondslag. In voormelde beschikking van 15 december 2021 is bepaald dat de kinderen in [plaats 1] naar school zouden moeten gaan. De vrouw staat nu echter onder bewind en het is voor haar, gezien de financiële belasting, een hele opgave om steeds vanuit [woonplaats 1] op en neer naar [plaats 1] te rijden. Nu de kinderen bij haar verblijven wordt deze financiële last alleen maar groter. Daarnaast heeft de man aangegeven niet meer op de camping in België te mogen blijven en heeft hij als mogelijke nieuwe woonplaatsen [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] genoemd. Verder zal [minderjarige 3] waarschijnlijk naar speciaal onderwijs moeten en dit kan niet in [plaats 1] maar wel in [woonplaats 1] . De vrouw wil graag dat de twee oudste kinderen zo snel mogelijk ingeschreven worden op de [basisschool] in [woonplaats 1] . Verder levert de aanvraag van identiteitskaarten voor de kinderen problemen op. In eerste instantie geeft de man aan medewerking te willen verlenen en vervolgens belt hij de afspraak af of verplaatst de afspraak naar een moment in de avond waarbij het voor de vrouw onmogelijk is om met de kinderen over straat te gaan.
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij niet meer subsidiair, voor het geval het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen, vervangende toestemming verzoekt, maar dat dit een losstaand verzoek is.
4.15.
De man heeft op de mondelinge behandeling verweer gevoerd. Hij wil eerst afwachten wat er gaat gebeuren met de zorgregeling en of [minderjarige 3] echt naar speciaal onderwijs zal moeten, voordat hij instemt met inschrijving op een andere basisschool. Er zijn namelijk nog onduidelijkheden over hoe de toekomst eruit gaat zien. Verder is de man het ermee eens dat er identiteitskaarten worden aangevraagd voor de kinderen, maar hij is van mening dat partijen hiervoor samen naar het gemeentehuis moeten en kunnen gaan om samen een aanvraag in te dienen. Dit zal volgens de man geen probleem zijn.
4.16.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat de kinderen nu in [woonplaats 1] verblijven bij de vrouw en het voor de vrouw onevenredig is om steeds naar een school in [plaats 1] te rijden. Het lijkt de Raad logisch om de kinderen in te schrijven op een school in de buurt waar zij wonen. Dit geldt op termijn ook voor [minderjarige 3] , omdat hij waarschijnlijk naar speciaal onderwijs zal moeten en dit in [plaats 1] niet mogelijk is. Een raadsrapport zal even op zich laten wachten en niet komen voor het nieuwe schooljaar, zodat het goed is als hier nu een positieve beslissing over wordt genomen.
4.17.
Nu de vrouw haar verzoek zodanig heeft gewijzigd dat het verzoek tot vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een school in [woonplaats 1] en het aanvragen van identiteitskaart voor alle drie de kinderen geen subsidiair verzoek meer is, maar een losstaand verzoek, kan de rechtbank nu beslissen op deze verzoeken zonder eerst een beslissing te hoeven nemen over de wijziging van het gezag.
4.18.
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW, kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.19.
Wat betreft de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op [basisschool] in [woonplaats 1] begrijpt de rechtbank het verweer van de man aldus dat hij slechts onder voorwaarden bereid is om daarvoor toestemming te geven. Dat is niet in hun belang. Partijen zijn het er immers over eens dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan bij de vrouw in [woonplaats 1] zal zijn en dat zij daar inmiddels ingeschreven staan. Verder heeft de vrouw op dit moment op alle doordeweekse dagen de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verwachting is niet dat voor het nieuwe schooljaar dit zal veranderen. Het ligt dus voor de hand dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf het nieuwe schooljaar naar een basisschool in hun woonomgeving zullen gaan, zodat zij niet telkens naar [plaats 1] hoeven te rijden. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat op de mondelinge behandeling voldoende is komen vast te staan dat [minderjarige 3] naar het speciaal onderwijs zal moeten. Dit is niet mogelijk in [plaats 1] , maar wel in [woonplaats 1] . Ook praktisch gezien is het dus het meest voor de hand liggend dat alle kinderen in [woonplaats 1] naar school zullen gaan. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen, met dien verstande dat dit zal gelden voor de periode vanaf het schooljaar 2025-2026.
4.20.
Wat betreft het aanvragen van de identiteitskaarten is gebleken dat beide partijen het erover eens zijn dat deze voor alle drie de kinderen moeten worden aangevraagd. De man geeft echter aan dat partijen dit samen bij de gemeente moeten regelen. Ook hier stelt de man voorwaarden aan mijn medewerking. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling in reactie daarop aangegeven dat zij zich niet veilig genoeg voelt om dit samen met de man te regelen. Gelet daarop en nu is gebleken dat de communicatie tussen partijen op dit moment behoorlijk is verstoord, acht de rechtbank het niet wenselijk en ook niet uitvoerbaar dat partijen dit onderling gezamenlijk regelen. Het is echter wel in het belang van de kinderen dat op korte termijn voor hen identiteitskaarten worden aangevraagd. Daarom zal de rechtbank ook dit verzoek van de vrouw toewijzen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 15 december 2021, dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017,
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2018,
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
5.2.
wijst af het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij de rechthebbende is tot alle financiële tegemoetkomingen verbonden aan genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
5.3.
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 23 juli 2024, dat de man en de genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en de minderjarige
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2019,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
  • eenmaal in de twee weken op de zaterdag in de even weken van 10:00 uur tot 19:00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en brengt op het adres van de vrouw;
  • alsmede gedurende een belmoment op de maandag en donderdag tussen 18:00 uur en 18:30 uur, waarbij de man naar de vrouw belt. Op andere momenten wordt er niet met de kinderen gebeld;
  • gedurende Vaderdag tussen 10:00 uur en 19:00 uur waarmee de zorg op de zaterdag in dat weekend komt te vervallen;
waarbij de GI de regie heeft over uitbreiding van deze regeling in het geval zij dit veilig acht voor de kinderen;
5.4.
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – vervangende toestemming om genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van het schooljaar 2025-2026 in te schrijven op [basisschool] in [woonplaats 1] ;
5.5.
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – vervangende toestemming om voor genoemde minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een identiteitsbewijs aan te vragen;
5.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
5.8.
houdt de behandeling van deze zaak voor wat betreft de verzoeken over het eenhoofdig gezag en de zorgregeling aan tot
7 oktober 2025 pro forma;
5.9.
houdt de beslissing op het verzoek tot eenhoofdig gezag en het verzoek tot wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.