ECLI:NL:RBZWB:2025:4822
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waardebeschikking en aanslag OZB woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1983 met diverse bijgebouwen en een perceel van 459 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning op 1 januari 2022 vast op €577.000, wat tevens leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de waardebeschikking en stelde een lagere waarde van €559.000 voor. De rechtbank beoordeelde het beroep op 9 juli 2025 en onderzocht of de waarde en daarmee de aanslag te hoog waren vastgesteld.
De waardebepaling is gebaseerd op de vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen, die voldoende vergelijkbaar werden geacht. Belanghebbende betwistte de waarde van de serre en de ligging van de woning ten opzichte van het industrieterrein. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de serre een waarde van €16.200 vertegenwoordigt en dat de ligging van de woning niet slechter was dan die van de referentiewoningen.
Daarmee was de waardebeschikking en de aanslag OZB niet te hoog vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag en waardebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardebeschikking en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €577.000 blijft gehandhaafd.