Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 juli 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer en haar werkgever. De werknemer, die sinds 1 april 2018 in dienst is als schoonmaakster, heeft zich op 13 juni 2024 ziek gemeld. De werkgever heeft vervolgens een loonstop opgelegd, wat de werknemer aanvecht. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet gerechtigd was om het loon stop te zetten zonder inschakeling van een bedrijfsarts, die moet vaststellen of de werknemer in staat is om werkzaamheden te verrichten. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe en veroordeelt de werkgever tot betaling van achterstallig loon over de maanden februari, maart en april 2025, alsook de wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast wordt de werkgever verplicht om deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken. De proceskosten komen voor rekening van de werkgever. De uitspraak benadrukt het belang van het inschakelen van een bedrijfsarts bij ziekte en de verplichting van de werkgever om het loon tijdig te betalen.