Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €722.000 per 1 januari 2022, en stelde dat de waarde niet hoger kon zijn dan €566.000. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode die de heffingsambtenaar gebruikte, waarbij referentiewoningen in de buurt werden vergeleken.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht was uitgegaan van de staat van de woning op 1 januari 2023 vanwege verbouwingen die tussen de waardepeildatum en het belastingjaar waren uitgevoerd. Hoewel deze toestandsdatum niet op het aanslagbiljet stond vermeld, leidde dit niet tot nietigheid van de beschikking. Wel werd het motiveringsbeginsel geschonden omdat de aanpassing onvoldoende was toegelicht.
De heffingsambtenaar had voldoende inzicht gegeven in de vergelijkingsmethode en de correcties voor verschillen tussen de woning en referentiewoningen. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, ook niet wanneer rekening werd gehouden met de aankoopprijs en de waardestijging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, maar de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar het griffierecht wordt vergoed wegens schending van het motiveringsbeginsel.