Uitspraak
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op 1 januari 2022, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €427.000. Na bezwaar en een herziene uitspraak op bezwaar, waarin de waarde ongewijzigd bleef, heeft de rechtbank het beroep behandeld. De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode met referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar op transparante wijze rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen. De door belanghebbende aangevoerde subjectieve waardedruk door nabijheid van een moskee werd niet aannemelijk gemaakt en is volgens de rechtbank niet relevant voor de objectieve waardebepaling.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd. Vanwege het herstel van de uitspraak op bezwaar wordt de heffingsambtenaar verplicht het griffierecht van €51 aan belanghebbende te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.