Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
NON-CONCURRENTIEBEDING
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De ex-werknemer trad in 2009 in dienst bij de werkgever en had een concurrentiebeding van twee jaar na beëindiging van het dienstverband. Na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in maart 2025 eindigde het dienstverband. De werknemer vroeg toestemming om als zzp’er bij een concurrerend bedrijf te werken, welke werd geweigerd.
In kort geding vorderde de ex-werknemer schorsing van het concurrentiebeding. De werkgever stelde dat er geen spoedeisend belang was en dat het concurrentiebeding rechtsgeldig was vanwege de bescherming van bedrijfsdebiet, klantenbestand en commerciële informatie.
De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was omdat toestemming was gevraagd en geweigerd. Hoewel de bedrijven concurrerend zijn, vond de rechter dat het belang van de werkgever onvoldoende zwaar woog tegenover de nadelen voor de werknemer. De werknemer had een persoonlijke band met klanten en bood een relatiebeding aan, maar dit werd afgewezen. Ook was onvoldoende aannemelijk dat de werknemer over specifieke bedrijfsgegevens beschikte.
Gezien de leeftijd van de werknemer, zijn branche-ervaring en het feit dat hij een aanvullend inkomen nodig heeft, werd het concurrentiebeding geschorst. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt geschorst wegens onredelijke benadeling van de ex-werknemer na pensionering.