Belanghebbende diende bezwaar in tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2021. De inspecteur had de aanslagen opgelegd op basis van de door belanghebbende ingediende aangifte, met een bijdrage-inkomen van €30.878 en een belastbaar inkomen van €26.292. Belanghebbende diende later een herziene aangifte in met een lager inkomen, maar leverde geen nadere onderbouwing.
De inspecteur wees het bezwaar af omdat belanghebbende geen inhoudelijke reactie gaf op verzoeken om aanvullende informatie. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat het tijdig was ingediend en de gronden duidelijk waren. De bewijslast dat de aanslagen te hoog waren, lag bij belanghebbende.
Omdat belanghebbende geen concrete informatie had verstrekt om het lagere inkomen aannemelijk te maken, kon de rechtbank niet vaststellen dat de aanslagen onjuist waren. Ook tegen de belastingrente werden geen zelfstandige gronden aangevoerd. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.