ECLI:NL:RBZWB:2025:3828
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waardebeschikking en aanslag OZB woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2002 met bijgebouwen en een perceel van 399 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 vast op €474.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de waarde en de aanslag, stellende dat de waarde €453.000 zou moeten zijn vanwege gedateerde voorzieningen, een lager duurzaamheidsniveau en de betere staat van een referentiewoning. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde is vastgesteld aan de hand van verkoopprijzen van vergelijkbare woningen.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport en een matrix waarin referentiewoningen werden vergeleken. De rechtbank oordeelde dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat verschillen in staat en duurzaamheidsniveau adequaat waren verdisconteerd.
Belanghebbende bracht geen objectief verifieerbare gegevens in die het lagere waarderingsniveau konden ondersteunen. De rechtbank concludeerde dat de waarde en de aanslag niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Hierdoor blijft de aanslag OZB in stand en worden geen proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de WOZ-waardebeschikking en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard.