ECLI:NL:RBZWB:2025:3813
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting 2024
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Waalwijk, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €1.060.000 en na bezwaar verlaagd naar €810.000. Belanghebbende stelde dat de waarde €700.000 zou moeten zijn. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2025 behandeld en beoordeelt of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.
De rechtbank hanteert het toetsingskader van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, waarbij de waarde wordt bepaald op basis van de prijs die een meestbiedende koper zou betalen bij een verkoop onder normale omstandigheden. De heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de omgeving en rond de waardepeildatum zijn gebruikt. De rechtbank acht deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vindt dat de heffingsambtenaar op transparante wijze rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woningen.
Belanghebbende heeft de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen en de gehanteerde methodiek niet betwist, maar stelde dat de WOZ-waarden van andere woningen in dezelfde straat niet zijn meegenomen. Dit beroep faalt omdat de vergelijkingsmethode uitgaat van transactieprijzen en niet van WOZ-waarden. Ook de stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van voorgaande jaren is niet relevant, omdat de waarde per waardepeildatum opnieuw wordt vastgesteld.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €810.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.