Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het hem ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 juni 2025 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het voorbereiden van het bewerken van cocaïne in een door hem gehuurde loods. De officier van justitie stelde dat verdachte ernstige redenen had om te vermoeden dat in zijn loods een laboratorium aanwezig was voor de bewerking van cocaïne. De verdediging voerde aan dat verdachte geen wetenschap had van deze activiteiten en daarom geen opzet kon hebben.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat verdachte de loods ongeveer een week voor de inval had overgedragen aan een derde, die daar vervolgens de strafbare activiteiten zou hebben verricht. De rechtbank achtte de verklaring van verdachte ongeloofwaardig, onder meer vanwege de omvang van de aangetroffen goederen en de locatie van de loods nabij een woonwijk. Verdachte had bovendien tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn aanwezigheid bij de loods in de relevante periode.
Desondanks concludeerde de rechtbank dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte daadwerkelijk wetenschap had van de strafbare activiteiten in de loods tijdens zijn afwezigheid. Er waren geen verklaringen van medeverdachten of ander aanvullend onderzoek dat zijn betrokkenheid bevestigde. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en medeplegen voorbereiden bewerken cocaïne.