Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[verzoeker 1],
[verzoeker 2],
1.[verweerder 1],
[verweerder 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekers hebben bij verzoekschrift de kantonrechter verzocht om de huurovereenkomst betreffende een woning te beëindigen wegens dringend eigen gebruik. De kantonrechter oordeelt dat op grond van artikel 7:274 lid 1 onderdeel Pro c BW een vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst moet worden ingesteld via dagvaarding en niet via verzoekschrift.
De kantonrechter past op grond van artikel 69 Rv Pro een spoorwissel toe, omdat de procedure onjuist is ingeleid. De zaak wordt daarom voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. Verzoekers worden opgedragen om verweerders te dagvaarden met inachtneming van de wettelijke termijnen en vormvoorschriften.
De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 25 juni 2025, waar verzoekers de gelegenheid krijgen hun stellingen aan te passen aan de dagvaardingsprocedure. Tevens wordt bepaald dat het exploot van oproeping uiterlijk één dag voor deze zitting aan de griffie moet worden aangeboden.
Uitkomst: Procedure wordt voortgezet via dagvaardingsprocedure en zaak verwezen naar rolzitting op 25 juni 2025.