Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
(“we fight”)hadden gehad. Ook gaf hij aan dat haar lichaam nog in zijn kamer lag aan [adres] in [plaats] . Omstreeks 20:05 uur kwamen de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] daar ter plaatse. De voordeur van het pand werd geopend door verdachte. Alle drie de verbalisanten hoorden dat verdachte zei dat hij een vrouw had vermoord. In de kamer van verdachte werd op de grond het lichaam van [slachtoffer] in staat van ontbinding aangetroffen. Nadat verdachte was aangehouden en was overgebracht naar het politiebureau, hoorde [verbalisant 4] dat verdachte een aantal keer zei: ‘
I did it, why you need to investigate’.
verdachteeen conflict zou hebben gehad het vervolgens gemunt zouden hebben op [slachtoffer] . De rechtbank schuift dit alternatief scenario dan ook als volstrekt ongeloofwaardig en onaannemelijk terzijde. Ook de door verdachte op de zitting gegeven uitleg over de bekentenissen acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, gelet op de voorzienbare verstrekkende gevolgen die een dergelijke bekentenis heeft. Verdachte heeft ook verklaard dat hij zich vanwege zijn jarenlange werk op de rechtbank bewust was van de situatie waar hij zich in bevond en wat het zou betekenen als hij toegaf dat hij verantwoordelijk was voor de dood van [slachtoffer] .
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
8.Het beslag
9.De vordering tot tenuitvoerlegging 05-105389-23
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het (impliciet) primair ten laste gelegde feit;
een gevangenisstraf van 16 jaar;
[benadeelde]van
€ 23.665,- waarvan € 6.165,- aan materiële schade en € 17.500 aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
€ 508,-;
153 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;