Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd omdat zij op 19 juni 2024 huishoudelijke afvalstoffen niet afzonderlijk ter inzameling had aangeboden op een locatie in Breda. Betrokkene maakte bezwaar tegen de boete en stelde dat de boete onredelijk was, mede omdat er een waarschuwing op de vuilnisbak zat en de boete persoonlijk aan haar was opgelegd terwijl de woning op naam van haar vriend stond.
Het college van burgemeester en wethouders van Breda verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 11 maart 2025 verscheen betrokkene niet, maar vertegenwoordigers van het college wel. De kantonrechter overwoog dat uit de stukken, waaronder foto’s, voldoende bleek dat de overtreding had plaatsgevonden. De rode kaart op de vuilnisbak betekende niet dat een boete niet opgelegd kon worden en elke bewoner is verantwoordelijk voor het juist aanbieden van afval.
De kantonrechter zag geen reden de boete te matigen en verklaarde het beroep ongegrond. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wegens onjuist gescheiden afval wordt ongegrond verklaard.