Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd omdat op 29 januari 2024 om 10:16 uur huishoudelijk afval niet via het aangewezen inzamelmiddel werd aangeboden, maar naast een volle container aan de straat in Breda. Betrokkene maakte bezwaar tegen de boete, stellende dat de container vol was en dat de hulp in de huishouding het afval naast de container had geplaatst omdat de container met een pasje geopend moest worden. De gemeente had volgens betrokkene ook een waarschuwing kunnen geven.
Het college van burgemeester en wethouders van Breda verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens de zitting op 11 maart 2025 verschenen beide partijen. De kantonrechter oordeelde dat betrokkene ondanks het inschakelen van hulp zelf verantwoordelijk blijft voor het correct aanbieden van afval. Het feit dat de container vol was, ontslaat niet van deze verantwoordelijkheid. Er had anders gehandeld moeten worden, bijvoorbeeld door het afval mee terug te nemen.
De kantonrechter zag geen reden om de boete te matigen en verklaarde het beroep ongegrond. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wegens verkeerd aanbieden van afval wordt ongegrond verklaard.