ECLI:NL:RBZWB:2025:3152

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
11245697 CV EXPL 24-2725
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Kool
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering betaling en schadevergoeding wegens oplevergebreken huurchalets

De zaak betreft een geschil over huurbetalingen en oplevergebreken van drie chalets verhuurd door eiser aan huurder en B.V. Huurder en B.V. huurden de chalets voor huisvesting van personeel. Eiser vordert betaling van huurachterstand, schadevergoeding, incassokosten en rente wegens niet-nakoming huurovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat de huurachterstand van huurder niet is bewezen, waardoor deze vordering wordt afgewezen. De schadevergoeding wegens ontbrekende inventaris wordt grotendeels afgewezen vanwege onvoldoende bewijs, behalve een vergoeding van €199 voor een ontbrekende koelkast, die wordt verrekend met te veel betaalde servicekosten.

Tegen B.V. worden de eindafrekeningen toegewezen. Schadevergoeding voor gebreken die na huurperiode zijn geconstateerd wordt afgewezen. Voor diverse schadeposten wordt onvoldoende bewijs geleverd, maar enkele posten zoals eettafel (€150), vier deuren (€80), reiniging (€500), deurophanging (€10), ruitje (€75), TV (€50), schuifpui (€700) en magnetron (€70) worden toegewezen. Na verrekening van reeds betaalde bedragen wordt B.V. veroordeeld tot betaling van €4.047 plus wettelijke rente en incassokosten. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Vorderingen tegen huurder afgewezen; B.V. veroordeeld tot betaling van €4.047 plus rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11245697 CV EXPL 24-2725
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Invorderingsbedrijf B.V.,
tegen

1.[huurder] , H.O.D.N. [eenmanszaak] ,

te [plaats 2] ,
2.
[B.V.],
te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [huurder] en [B.V.] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 september 2024
- het bericht van 13 januari 2025 van [eiser] met de aanvullende producties 11 t/m 15
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] verhuurde drie chalets aan [adres] te [plaats 4] : de chalets [chalet 1] , [chalet 2] en [chalet 3] . [chalet 1] werd gehuurd door [huurder] (voor zijn [eenmanszaak] ). De chalets [chalet 2] en [chalet 3] werden gehuurd door [B.V.] . [huurder] is middellijk bestuurder van [B.V.] . [huurder] en [B.V.] huurden de chalets om het personeel van hun ondernemingen te kunnen huisvesten.
2.2.
[chalet 1] werd gehuurd vanaf 1 april 2022 tot en met 31 maart 2024 voor een huurprijs van € 745,00 per maand. [chalet 2] werd gehuurd vanaf 8 augustus 2022 tot en met 31 maart 2024 voor een huurprijs van € 845,00 per maand. [chalet 3] werd gehuurd vanaf 20 september 2022 tot en met 31 maart 2024 voor een huurprijs van € 845,00 per maand.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat [huurder] bij vonnis wordt veroordeeld tot betaling van € 2.629,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2024 tot aan de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:
€ 1.919,00 aan hoofdsom (€ 1.455,00 aan huurachterstand, € 669,00 aan schadevergoeding, te verminderen met € 205,00 aan eindafrekening),
€ 362,41 aan rente tot 4 juli 2024,
€ 287,85 aan incassokosten,
€ 60,45 aan BTW over de incassokosten
[eiser] vordert ook dat [huurder] in de proceskosten wordt veroordeeld, te vermeerderen met wettelijke rente. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
[eiser] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat [huurder] zich niet heeft gehouden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. [huurder] heeft ten onrechte twee maanden geen huur betaald en het chalet niet goed opgeleverd, waardoor [eiser] schade heeft geleden.
3.2.
[eiser] vordert dat [B.V.] bij vonnis wordt veroordeeld tot betaling van € 12.100,49, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2024 tot aan de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:
€ 10.032,00 aan hoofdsom (€ 3.692,00 aan eindafrekeningen, € 7.620,00 aan schadevergoeding, te verminderen met € 1.280,00 aan betaling),
€ 247,68 aan rente tot 4 juli 2024,
€ 1.504,80 aan incassokosten,
€ 316,01 aan BTW over de incassokosten
[eiser] vordert ook dat [B.V.] in de proceskosten wordt veroordeeld, te vermeerderen met wettelijke rente. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
[eiser] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat [B.V.] zich niet heeft gehouden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. [B.V.] heeft ten onrechte de eindafrekeningen niet betaald en de chalets niet goed opgeleverd, waardoor [eiser] schade heeft geleden.
3.3.
[huurder] en [B.V.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De vorderingen tegen [huurder] ([chalet 1] )
De huurachterstand
4.1.
[eiser] stelt dat [huurder] de huur voor de maanden mei en juni 2022 niet (volledig) heeft betaald. [huurder] betwist deze huurachterstand en onderbouwt dit met afschriften van zijn betaalrekening. Daarop is te zien dat hij op 2 mei 2022 en 2 juni 2022 de huur heeft betaald.
4.2.
[eiser] stelt dat zij deze betalingen niet heeft ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [huurder] aan [eiser] en de kantonrechter getoond dat deze betalingen niet zijn gestorneerd of geweigerd. De enkele ontkenning van [eiser] dat zij de betalingen heeft ontvangen is daarom onvoldoende. Het had op de weg gelegen van [eiser] om bijvoorbeeld met bankafschriften te onderbouwen dat zij geen betalingen heeft ontvangen op 2 mei 2022 en 2 juni 2022. Dat betekent dat de vordering tot betaling van € 1.455,00 aan huurachterstand wordt afgewezen.
De schade
4.3.
De vordering tot schadevergoeding voor het metalen tv-meubel wordt afgewezen, omdat het metalen tv-meubel niet is genoemd in de dagvaarding.
4.4.
[eiser] vordert schadevergoeding vanwege oplevergebreken. [huurder] is op basis van de wet verplicht om bij het einde van de huurovereenkomst het gehuurde op te leveren. Om schadevergoeding vanwege oplevergebreken toe te kunnen wijzen, moet de vraag beantwoord worden of [huurder] het gehuurde heeft opgeleverd zoals dit is aanvaard bij het begin van de huurovereenkomst.
4.5.
Er is tussen [eiser] en [huurder] geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt bij de aanvang van de huurovereenkomst. Dat betekent dat [huurder] volgens de wet in beginsel wordt verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst.
4.6.
De gevorderde schadevergoeding voor het ontbreken van de magnetron en TV wordt afgewezen. [huurder] betwist dat een magnetron en TV aanwezig waren bij de aanvang van de huur. Nu een opnamestaat ontbreekt en [eiser] niet heeft aangetoond welke inventaris aanwezig was bij de aanvang van de huur, heeft [eiser] haar vordering onvoldoende onderbouwd.
4.7.
[eiser] vordert € 199,00 aan schadevergoeding omdat een koelkast ontbrak. [huurder] stelt dat bij aanvang van de huur weliswaar een koelkast aanwezig was, maar dat deze is meegenomen door de vorige huurder omdat dit zijn eigendom was. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd. Vast staat dat de situatie is veranderd ten opzichte van de aanvang van de huur, terwijl niet kan worden vastgesteld dat de koelkast eigendom was van de vorige huurder. [eiser] komt dan ook in aanmerking voor een bedrag van € 199,00 aan schadevergoeding voor de koelkast, nu de hoogte van de schadevergoeding niet wordt betwist.
4.8.
[huurder] heeft € 205,00 te veel aan servicekosten betaald. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de schadevergoeding van € 199,00. Dat leidt tot de conclusie dat [huurder] niets meer is verschuldigd aan [eiser] . Omdat de schadevergoeding is verrekend met de eindafrekening, wordt de gevorderde wettelijke rente, incassokosten en btw ook afgewezen.
De vorderingen tegen [B.V.] (de chalets [chalet 3] en [chalet 2] )
De eindafrekening
4.9.
Het gevorderde bedrag van de eindafrekening wordt toegewezen, omdat deze niet ter discussie staat.
De schade van [chalet 3]
4.10.
De gevorderde schadevergoeding voor de gaskachel, de hoekbank, het senseo-apparaat, de TV-schotel, de kraan en de waterschade wordt afgewezen. Deze gebreken zijn vier maanden na het einde van de huur geconstateerd. [eiser] kan [B.V.] daar dan ook niet op aanspreken.
4.11.
De gevorderde schadevergoeding voor de salontafel, tuinset, TV-aansluiting, het beschimmelde vinyl in de slaapkamer/wc en het beschimmelde behang in de slaapkamer wordt ook afgewezen. [B.V.] betwist dat de salontafel, tuinset en TV-aansluiting aanwezig waren bij de aanvang van de huur. Ook voert zij aan dat de schimmel bij aanvang van de huur al aanwezig was. Er is tussen [eiser] en [B.V.] geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt bij de aanvang van de huurovereenkomst. Nu een opnamestaat ontbreekt, heeft [eiser] haar vordering onvoldoende onderbouwd.
4.12.
De gevorderde schadevergoeding voor het vervangen van de sloten wordt ook afgewezen. [eiser] voert aan dat zij de sloten heeft vervangen om te voorkomen dat er andere spullen werden meegenomen. Deze vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd.
4.13.
[eiser] vordert € 150,00 aan schadevergoeding voor de eettafel, omdat deze vervangen moet worden. [B.V.] heeft deze vordering onvoldoende gemotiveerd betwist. De gevorderde schadevergoeding voor de eettafel wijst de kantonrechter dan ook toe.
4.14.
[eiser] vordert € 320,00 aan schadevergoeding voor vier deuren, omdat deze vervangen moeten worden. [B.V.] voert aan dat weliswaar één deur kapot is gegaan, maar dat hij met [eiser] heeft afgesproken dat alle deuren vervangen zouden worden voor € 40,00 per deur. [eiser] betwist deze afspraak. Daarmee is de gestelde afspraak niet vast komen te staan. Nu [B.V.] erkent dat één deur kapot is gegaan, staat daarmee vast dat de situatie anders is dan bij aanvang van de huur. [B.V.] is daarom € 80,00 aan [eiser] verschuldigd. Voor de overige drie deuren kan niet worden vastgesteld dat deze tijdens de huurperiode kapot zijn gegaan, omdat een opnamestaat ontbreekt en [eiser] niet heeft aangetoond hoe de staat van de deuren was bij aanvang van de huur.
4.15.
[eiser] vordert € 500,00 aan reiniging- en opruimkosten. [B.V.] voert aan dat er weliswaar troep is veroorzaakt, maar dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om dit zelf op te ruimen. Dit verweer is gelet op de betwisting van [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Nu vaststaat dat de troep door (huurders van) [B.V.] is veroorzaakt en [B.V.] niet de hoogte van de reiniging- en opruimkosten heeft betwist, is zij € 500,00 aan [eiser] verschuldigd.
4.16.
Het bovenstaande betekent dat [B.V.] € 730,00 aan schadevergoeding moet betalen voor de oplevergebreken bij chalet [chalet 3] .
De schade van chalet [chalet 2]
4.17.
De gevorderde schadevergoeding voor het bankstel, de salontafel, het tv-meubel, het matras, de servieskast en de zes stoelen uit de serre wordt afgewezen. [B.V.] betwist dat er een matras en stoelen in de serre aanwezig waren bij de aanvang van de huur. Ook voert [B.V.] aan dat bij de andere zaken sprake is van gebruikerssporen en geen schade. Nu een opnamestaat ontbreekt en [eiser] niet heeft aangetoond hoe de staat was bij aanvang van de huur, heeft [eiser] haar vordering onvoldoende onderbouwd.
4.18.
[eiser] vordert € 10,00 aan schadevergoeding voor een deurophanging en € 75,00 aan schadevergoeding voor een ruitje van de kachel. Deze vorderingen zijn door [B.V.] niet weersproken en daarom toewijsbaar.
4.19.
[eiser] vordert € 200,00 aan schadevergoeding voor de TV, omdat deze ontbrak. Dat de TV ontbrak, wordt door [B.V.] niet betwist. [B.V.] betwist wel de hoogte van de schade en voert aan dat de TV die aanwezig was niet meer waard was dan € 15,00. De kantonrechter schat de schadevergoeding voor de TV op € 50,00, nu verdere onderbouwing ontbreekt.
4.20.
[eiser] vordert € 700,00 aan schadevergoeding voor de schuifpui, omdat het glas daarvan is gebroken. Dat het glas is gebroken tijdens de huurperiode, wordt door [B.V.] niet betwist. Opnieuw betwist [B.V.] wel de hoogte van de schade en voert daartoe aan dat hij het glas zelf voor € 250,00 kan laten repareren. Nu [eiser] met een offerte heeft onderbouwd dat € 700,00 aan herstelkosten zelfs minder is dan de daadwerkelijke kosten en [B.V.] heeft volstaan met de enkele stelling dat het goedkoper kan, is de kantonrechter van oordeel dat € 700,00 aan schadevergoeding voor de schuifpui toewijsbaar is.
4.21.
[eiser] vordert € 70,00 aan schadevergoeding voor de magnetron, omdat deze vervangen moet worden. [B.V.] heeft deze vordering onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom is de schadevergoeding voor de magnetron toewijsbaar.
4.22.
Het bovenstaande betekent dat [B.V.] € 905,00 aan schadevergoeding moet betalen voor de oplevergebreken bij [chalet 2] .
De toegewezen hoofdsom en wettelijke rente
4.23.
[B.V.] heeft aan [eiser] € 1.280,00 betaald. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de eindafrekeningen en de schadevergoeding. Dat leidt tot de conclusie dat de hoofdsom wordt toegewezen tot een bedrag van € 4.047,00 (€ 3.692,00 aan eindafrekeningen en € 1.635,00 aan schadevergoeding, te verminderen met € 1.280,00 aan betaling). [B.V.] is ook wettelijke rente verschuldigd over de hoofdsom vanaf 31 maart 2024.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.24.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag is hoger dan het wettelijke tarief. De kantonrechter wijst daarom het bedrag toe tot het wettelijke tarief. Dat is € 641,35. De gevorderde BTW is niet toewijsbaar, nu [eiser] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht te hebben.
De proceskosten
4.25.
Partijen worden over en weer op punten in het ongelijk gesteld. De kantonrechter ziet daarin aanleiding de proceskosten te compenseren, zodat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen tegen [huurder] af,
5.2.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van € 4.047,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 maart 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van € 641,35 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kool en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.