ECLI:NL:RBZWB:2025:315
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen WOZ-beschikking wegens te late indiening
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking 2024 voor een onroerend goed te [plaats]. Na een uitspraak op bezwaar van 23 mei 2024 diende belanghebbende een beroepschrift in, dat echter te laat bij de rechtbank werd ontvangen. De beroepstermijn van zes weken eindigde op 4 juli 2024, terwijl het beroepschrift pas op 8 augustus 2024 werd ontvangen en volgens het poststempel op 7 augustus 2024 op de post was gedaan.
Belanghebbende verbleef het grootste deel van de periode in het buitenland en gaf aan dat het beroepschrift pas na terugkeer in Nederland met gemachtigde en partner was besproken en verzonden. De rechtbank oordeelde dat dit geen verschoonbare reden is voor de late indiening, aangezien belanghebbende zelf verantwoordelijk was voor tijdige postverwerking en het treffen van passende maatregelen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en bleef het bestreden besluit in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 23 januari 2025 door rechter S.J. Willems-Ruesink.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-beschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.