Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 1 augustus 2024 sprak verdachte vier minderjarige meisjes aan en gaf hij een briefje met zijn telefoonnummer. De officier van justitie stelde dat dit gedrag een seksuele benadering vormde, gebaseerd op de leeftijdsverschillen en de context. De verdediging voerde aan dat er geen seksuele lading was en vroeg vrijspraak.
De rechtbank onderzocht de feiten en de wetsgeschiedenis van de artikelen 251 en 429ter Sr, die het seksueel benaderen en seksuele intimidatie strafbaar stellen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het moet gaan om gedragingen met een seksuele lading die kinderen op indringende en niet leeftijdsconforme wijze benaderen.
Hoewel de gedragingen van verdachte ongebruikelijk en bedenkelijk waren, concludeerde de rechtbank dat de woorden en het overhandigen van het briefje geen seksuele lading hadden. Het nabij staan bij de kinderen was onvoldoende om van een seksuele benadering te spreken. Het samenstel van gedragingen was niet seksueel grensoverschrijdend en vormde geen voorfase van seksueel misbruik.
Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van zowel het primair ten laste gelegde seksueel benaderen als het subsidiair ten laste gelegde seksueel intimideren. Dit vonnis werd uitgesproken op 16 mei 2025 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat zijn gedragingen niet als seksueel benaderen kunnen worden aangemerkt.