Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende 2]uit [plaats 2] , belanghebbenden,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbenden, broers en gezamenlijke ondernemers in landbouwgrond, voerden beroep aan tegen de aanslagen IB/PVV 2017 en verliesverrekeningsbeschikking. Kern van het geschil was de hoogte van de afschrijving op pachtrechten die zij in hun ondernemingen hadden ingebracht.
De rechtbank oordeelde dat de afschrijving op de pachtrechten moet worden vastgesteld op 50% van de vrije waarde van de percelen, conform het nadere standpunt van de inspecteur. Belanghebbenden konden niet aannemelijk maken dat een hoger percentage van 67% gerechtvaardigd was. Het vertrouwensbeginsel werd niet geschonden omdat het enkel volgen van de aangifte in 2016 geen recht gaf op dezelfde behandeling in 2017.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met zeven maanden was overschreden, mede door een mediationtraject. Daarom kregen belanghebbenden gezamenlijk een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegewezen. De aanslagen werden verminderd, proceskosten en griffierecht werden aan belanghebbenden toegekend.
Uitkomst: De aanslag IB/PVV 2017 en verliesverrekeningsbeschikking worden verminderd conform het standpunt van de inspecteur en belanghebbenden krijgen een immateriële schadevergoeding toegekend.