Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 23 oktober 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de akte indienen aanvullende stukken van de vrouw met producties genummerd 6 en 7.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De man vordert vernietiging van het echtscheidingsconvenant op grond van dwaling, misbruik van omstandigheden en redelijkheid en billijkheid. Hij stelt dat hij de schuld van €60.000 in het convenant niet begreep en dat de vrouw haar mededelingsplicht heeft geschonden. Tevens voert hij aan dat de schuldverdeling onaanvaardbaar is gezien zijn inkomen.
De vrouw betwist deze stellingen en voert aan dat er meerdere gesprekken met een mediator zijn geweest, waarbij de schuld besproken is, en dat de man onder bewind stond met betrokkenheid van zijn bewindvoerder. De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om zijn beroep op dwaling te onderbouwen. Ook is geen sprake van misbruik van omstandigheden, aangezien de vrouw niet wist of behoorde te weten dat de man door zijn beperkte leesvaardigheid werd bewogen tot ondertekening.
Ten aanzien van de redelijkheid en billijkheid stelt de rechtbank dat de beperkte financiële situatie van de man niet zonder meer leidt tot vernietiging van het convenant. Gezien de bewindssituatie ten tijde van het convenant had de man voldoende gelegenheid zich te laten informeren. De rechtbank concludeert dat het convenant geldig tot stand is gekomen en wijst de vorderingen af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het echtscheidingsconvenant geldig en wijst het beroep op dwaling, misbruik van omstandigheden en redelijkheid af.