Eiseres heeft een aanvraag voor het kindgebonden budget over 2022 ingediend, ontvangen op 1 februari 2024, waarbij zij ook bezwaar maakte tegen het feit dat zij de toeslag niet meer kon aanvragen. De Dienst Toeslagen wees de aanvraag af omdat deze niet tijdig was ingediend, namelijk na de wettelijke termijn van 1 september 2023. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat er nog geen besluit was waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Eiseres stelde beroep in tegen de afwijzing.
De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat eiseres het beroep richtte tegen de afwijzing van de aanvraag. Op verzoek van eiseres en met instemming van de Dienst Toeslagen werd de bezwaarfase overgeslagen. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag afwees omdat eiseres niet tijdig had ingediend en er geen bijzondere omstandigheden waren die afwijking rechtvaardigden.
Eiseres voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de regeling en dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel alsnog met terugwerkende kracht recht zou moeten krijgen op het kindgebonden budget, mede verwijzend naar een eerdere herstelactie voor de periode 2013-2020. De rechtbank stelde echter vast dat er geen individuele informatieplicht voor de Dienst Toeslagen bestaat en dat de herstelactie een andere situatie betrof waarbij sprake was van lopende aanvragen die niet waren verwerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.