ECLI:NL:RBZWB:2025:2489

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
11242240 CV EXPL 24-2700 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering niet betaalde factuur beveiligingswerkzaamheden carnaval 2024

De eiser heeft beveiligingswerkzaamheden verricht tijdens carnaval 2024 in opdracht van de gedaagde. Hiervoor stuurde eiser een factuur van €7.562,50, waarvan slechts €1.000,- door gedaagde is betaald. Het resterende bedrag van €6.562,50 bleef onbetaald.

Eiser vordert betaling van het openstaande bedrag, wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum, vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Gedaagde verscheen niet op de mondelinge behandeling en stelde zich op het standpunt dat de factuur gesplitst zou worden over twee bedrijven, hetgeen door eiser werd betwist.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de betalingsverplichting uit de overeenkomst niet is nagekomen. De factuur is op naam van het bedrijf van gedaagde gesteld, waardoor gedaagde als eigenaar verantwoordelijk is voor betaling. De gevorderde hoofdsom, rente en incassokosten worden toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente over deze kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.562,50, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11242240 CV EXPL 24-2700
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiser] ,
h.o.d.n.
[bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H. Chay,
tegen
[gedaagde] ,
h.o.d.n.
[bedrijf 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 september 2024;
- de mondelinge behandeling van 14 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
[gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] beveiligingswerk verricht tijdens carnaval 2024 in ’s-Heerenhoek.
2.2.
Voor deze werkzaamheden heeft [eiser] op 13 februari 2024 een factuur van
€ 7.562,50 (incl. btw) aan [gedaagde] gestuurd.
2.3.
Op deze factuur heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.000,- betaald. Het resterende bedrag van € 6.562,50 is onbetaald gebleven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.562,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover berekend vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van algehele betaling en ook veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van de buitengerechtelijke incassokosten van € 703,13. Tot slot vordert [eiser] om [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting uit de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden niet is nagekomen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. In het tussenvonnis is overwogen dat de oproep aan partijen om ter zitting te verschijnen niet vrijblijvend is en dat de kantonrechter aan een eventueel niet verschijnen van een partij de gevolgen kan verbinden die haar geraden voorkomen. Omdat [gedaagde] niet ter zitting is verschenen heeft hij zichzelf de mogelijkheid ontnomen de nadere toelichting van [eiser] op zijn vordering te betwisten.
4.2.
Vast staat dat [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] beveiligingswerk heeft verricht, waarvoor [eiser] aan [gedaagde] een factuur heeft gestuurd voor een totaalbedrag van
€ 7.562,50. Hierop is een bedrag van € 1.000,- betaald zodat een bedrag van € 6.562,50 overblijft. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de factuur zou worden gesplitst over twee bedrijven, te weten zijn eenmanszaak [bedrijf 2] en de [V.O.F.] [eiser] betwist dat deze afspraak is gemaakt. Voorts is door ondertekening van de offerte overeengekomen dat de factuur op naam van [bedrijf 2] komt te staan. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] , als eigenaar van de eenmanszaak, de restant hoofdsom moet voldoen. De door [eiser] gevorderde hoofdsom van € 6.562,50 zal dan ook worden toegewezen.
4.3.
De gevorderde wettelijke handelsrente is - als onbetwist - eveneens toewijsbaar en wel vanaf 7 dagen na de factuurdatum omdat deze betalingstermijn is overeengekomen.
4.4.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 703,13 komt overeen met de in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
116,39
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.177,39
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.562,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 20 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 703,13 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.177,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.