Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 10 april 2025 behandelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het bezit van voorwerpen bestemd voor bankhelpdeskfraude. De verdachte en zijn raadsman waren niet aanwezig tijdens de zitting. De officier van justitie stelde dat de rechtbank bevoegd was, maar de verdediging betwistte dit.
De rechtbank beoordeelde de relatieve bevoegdheid volgens de artikelen 2 tot en met 6 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij het tijdstip van dagvaarding op 10 maart 2025 leidend was. Geconstateerd werd dat het ten laste gelegde feit niet in het arrondissement Zeeland-West-Brabant was begaan, de verdachte daar niet woonde of verbleef, en ook geen andere aanknopingspunten voor bevoegdheid aanwezig waren.
Ook de regeling voor deelneming in artikel 6 Sv Pro bood geen grond voor bevoegdheid, omdat het feit waarvoor een andere verdachte was veroordeeld niet op de tenlastelegging van deze verdachte stond en er geen voldoende verband was tussen de feiten. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van de zaak.
De tenlastelegging betrof bezit van diverse elektronische middelen en gegevens die bestemd waren voor het plegen van oplichting, met betrekking tot niet-contante betaalinstrumenten, gepleegd in Groningen of elders in Nederland rond 5 september 2022.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging wegens relatieve competentie.