Op 26 april 2024 heeft verdachte tijdens een verkeersruzie met kracht een klap tegen het gezicht van het slachtoffer gegeven, waarbij zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, waaronder losse tanden, een kapotte bovenlip en mogelijk afstervende zenuwen en huid. De rechtbank oordeelde dat het opzet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kon worden, waardoor de kwalificatie zware mishandeling of poging daartoe werd verworpen. Wel werd mishandeling met zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen verklaard.
De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, waaruit bleek dat hij eerder voor geweldsfeiten was veroordeeld en binnen de proeftijd opnieuw een geweldsfeit pleegde. Psychologisch onderzoek toonde forse antisociale trekken en impulsief gedrag, wat de rechtbank deed besluiten het feit verminderd toe te rekenen. De reclassering adviseerde een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en contact- en locatieverboden.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 115 dagen op, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en voegde de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden toe. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €4.181,67 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade. De vordering van een andere benadeelde partij wegens shockschade werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bewijs van een psychiatrisch erkend ziektebeeld.
De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere taakstraf, omdat deze al was uitgevoerd. De rechtbank bepaalde dat bij niet-betaling van de schadevergoeding gijzeling kan worden toegepast. Het vonnis werd uitgesproken op 16 april 2025 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.