ECLI:NL:RBZWB:2025:2186

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
15 april 2025
Zaaknummer
25/966
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 112 lid 1 Wet WIAArt. 73a lid 1 ZW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing op bezwaarschriften WIA- en Ziektewetuitkering

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het stopzetten van zijn WIA-uitkering van 22 mei 2024 en zijn Ziektewetuitkering van 23 mei 2024. Deze bezwaarschriften zijn op 31 mei 2024 ingediend bij het UWV. Het UWV heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zeventien weken plus een verlenging van zes weken besloten, waardoor de beslistermijn op 11 en 12 december 2024 is verstreken.

Eiser heeft het UWV op 13 december 2024 ingebreke gesteld en vervolgens binnen twee weken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV nog geen beslissing heeft genomen. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen een nieuwe termijn alsnog moet beslissen.

Het UWV heeft verzocht om een termijn van minimaal twee maanden vanwege een tekort aan verzekeringsartsen. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige heroverweging mogelijk te maken. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de nieuwe beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.

De rechtbank veroordeelt het UWV ook tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 11 april 2025.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen op de bezwaarschriften en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/966

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op de bezwaarschriften van 31 mei 2024 tegen de beslissing van 22 mei 2024 dat de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) -uitkering van eiser stopt en de beslissing van 23 mei 2024 dat de Ziektewetuitkering (ZW) van eiser stopt.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de bezwaarschriften ingediend op 31 mei 2024. Het UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. [2] Het UWV heeft de termijn verlengd met zes weken. Het UWV had dus uiterlijk op 11 december 2024 respectievelijk 12 december 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het UWV op 13 december 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen (nieuw) beslissing heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Uit het verweerschrift van 12 maart 2025 volgt dat de termijn voor het nemen van de beslissingen op bezwaar niet gehaald is wegens het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV. Verder verzoekt verweerder in haar verweerschrift om een beslistermijn van minimaal twee maanden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de bezwaren te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige heroverweging. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de bezwaarschriften. Deze termijn wordt door rechtbank Zeeland-West-Brabant in dit soort zaken opgelegd.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog de beslissingen op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van J. Stevens, griffier, uitgesproken op 11 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Voor het besluit van 22 mei 2024 o.g.v. art. 112 lid 1 Wet Pro WIA en voor het besluit van 23 mei 2024 o.g.v. art. 73a lid 1 ZW.