ECLI:NL:RBZWB:2025:206

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
BRE-24_6113
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:19 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22 Wet WOZ
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing WOZ-beschikking en ongegrond beroep op dwangsombeschikking

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het vermeende niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 13 februari 2024 voor een WOZ-beschikking en tegen een dwangsombeschikking van 22 augustus 2024. De rechtbank overweegt dat de brief van 13 februari 2024 als aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro moet worden aangemerkt en dat de heffingsambtenaar op 31 maart 2024 een beschikking heeft genomen die op het verzoek van belanghebbende ingaat door de waarde op een hoger bedrag vast te stellen.

Hierdoor is geen sprake van niet tijdig beslissen en is het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de dwangsombeschikking is eveneens niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling pas na de WOZ-beschikking is verzonden, waardoor geen recht op een dwangsom bestaat.

De rechtbank wijst het beroep af zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de dwangsombeschikking is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6113

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 13 februari 2024 en het verzoek om een dwangsom van 17 juli 2024.
1.1.
Het beroep wegens niet tijdig beslissen is kennelijk niet-ontvankelijk. Het beroep dat ziet op de alsnog genomen dwangsombeschikking is kennelijk ongegrond. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. De heffingsambtenaar dient binnen 8 weken na het begin van het kalenderjaar een waardebeschikking als bedoeld in artikel 22 van Pro de Wet WOZ af te geven. [2] Belanghebbende heeft in zijn brief van 13 februari 2024 verzocht om de WOZ-beschikking 2024 vast te stellen op een bepaald bedrag. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2024 de waarde (op een hoger bedrag) vastgesteld.
3.1.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar met een brief van 17 juli 2024 in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft daar op 22 augustus 2024 op gereageerd middels een dwangsombeschikking. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
3.2.
Belanghebbende heeft bij brief van 16 augustus 2024 beroep ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem nog niet heeft beslist op de aanvraag van 13 februari 2024.
3.3.
De rechtbank overweegt dat als de brief van belanghebbende van 13 februari 2024 moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, dan is met de beschikking van 31 maart 2024 beslist op die aanvraag. Hieraan doet niet af dat de heffingsambtenaar ook ambtshalve gehouden is om de WOZ-beschikking vast te stellen. Door de WOZ-beschikking op een hoger bedrag vast te stellen dan is verzocht, is het verzoek van belanghebbende afgewezen. Van niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan is om die reden geen sprake. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
3.4.
Belanghebbende heeft verzocht een dwangsom toe te kennen. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar een dwangsombeschikking heeft genomen. Aan het beroep wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om een dwangsom is daarom het procesbelang komen te ontvallen. Dat beroep is daarom ook kennelijk niet-ontvankelijk.
3.5.
De wet bepaalt dat het beroep mede betrekking heeft op de dwangsombeschikking, aangezien belanghebbende deze beschikking betwist. [3] Daarvoor hoeft geen aparte (bezwaar) procedure te worden doorlopen. Omdat de ingebrekestelling is verzonden nadat de WOZ-beschikking is afgegeven, bestaat er geen recht op een dwangsom. Het verzoek om een dwangsom is daarom terecht afgewezen. Het beroep is in zoverre kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is kennelijk niet-ontvankelijk. Het beroep dat ziet op de dwangsombeschikking is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep dat ziet op de dwangsombeschikking ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 17 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 24 van Pro de Wet WOZ.
3.Artikel 4:19 van Pro de Awb.