Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De man vordert nakoming van een voorlopige omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen, die was vastgesteld bij beschikking van 17 oktober 2024. Deze regeling voorzag in contactmomenten tussen de man en de kinderen, waaronder logeerweekenden en videobellen.
De hoofdzaak, waarin de man verzoeken tot erkenning, gezamenlijk gezag en zorgregeling had ingediend, is op 18 december 2024 beëindigd door intrekking van deze verzoeken en afwijzing van het verzoek tot verwijzing naar hulpverlening. Hierdoor vervalt de voorlopige voorziening die de omgangsregeling mogelijk maakte.
De vrouw heeft de omgang niet nageleefd en stelt dat hervatting van contact alleen in het belang van de kinderen is indien dit begeleid plaatsvindt vanwege negatieve uitlatingen van de man. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert hervatting van het contact en benadrukt het belang van positieve communicatie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de man geen nakoming kan vorderen van de vervallen voorlopige voorziening en wijst de vordering af. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot nakoming van de vervallen voorlopige omgangsregeling wordt afgewezen.