ECLI:NL:RBZWB:2025:18
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning na bezwaar tegen te hoge vaststelling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €500.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde, maar stelde in beroep een lagere waarde van €469.000 voor. De rechtbank behandelde het beroep op 18 december 2024.
Hoewel het hoorrecht van belanghebbende was geschonden, oordeelde de rechtbank dat terugwijzing niet nodig was omdat partijen het eens waren over de feitelijke staat van de woning. De rechtbank paste artikel 6:22 Awb Pro toe en voorzag zelf in de zaak. De waarde werd bepaald aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen en een taxatiematrix werden gebruikt.
De heffingsambtenaar toonde aan dat de woning, ondanks dat de renovatie nog gaande was, terecht was afgewaardeerd met 28% vanwege de staat. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde moet worden verminderd tot €469.000 en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €469.000 en de heffingsambtenaar moet griffierecht en proceskosten vergoeden.