ECLI:NL:RBZWB:2025:1511

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
23-017419
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klaagschrift op beslag wegens gebrek aan belang

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 maart 2025 uitspraak gedaan over het klaagschrift van de klager gericht op opheffing van beslag en teruggave van gelden. Het klaagschrift was ingediend op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en betrof beslagleggingen van bedragen op 4 juli 2023.

Tijdens de raadkamerbehandeling op 18 februari 2025 werd vastgesteld dat de klager niet aanwezig was, maar zijn raadsman wel. De raadsman gaf aan dat klager het klaagschrift wenste in te trekken, maar dat dit niet mogelijk was omdat het klaagschrift reeds op zitting was behandeld. Hierdoor concludeerde de rechtbank dat klager geen belang meer had bij de behandeling van het klaagschrift.

De rechtbank verklaarde daarom de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag. De beslissing werd genomen door rechter J.C. Gillesse en uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2025. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang van de klager.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-171119-24
raadkamernummer : 23-017419
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.H.J. Bals, Noordeinde 16, 4481 BJ Kloetinge,
hierna te noemen: de klager.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro, waaruit blijkt op 4 juli 2023 € 225,00 en € 4.000,00 onder [naam] in beslag is genomen;
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 7 juli 2023 ter griffie van deze rechtbank;
  • de reactie van de officier van justitie;
  • het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling op 4 juni 2024 en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 18 februari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. A.H.J. Bals als gemachtigd raadsman van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. De raadsman heeft in raadkamer meegedeeld dat klager het klaagschrift wenst in te trekken, maar dat dit niet mogelijk is omdat het klaagschrift eerder op zitting heeft gestaan.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
De rechtbank stelt vast dat uit de wens van klager om het klaagschrift in te trekken volgt dat klager geen belang meer heeft bij de behandeling van het klaagschrift. De rechtbank zal klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is op 4 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2025.
Mr. Fanis en mr. Van Eekelen zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).