ECLI:NL:RBZWB:2025:150

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2025
Publicatiedatum
13 januari 2025
Zaaknummer
BRE 24/7896
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 112, eerste lid, Wet WIAArt. 7:10, vierde lid, onder b, Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV tot tijdige beslissing en legt dwangsom op wegens overschrijding beslistermijn WIA-uitkering

Eiseres, een bedrijf, heeft bezwaar gemaakt tegen een beslissing van het UWV waarbij de loongerelateerde WIA-uitkering van een voormalig werknemer per 22 november 2023 werd gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering. Het bezwaar werd op 11 oktober 2023 ingediend. Het UWV moest binnen zeventien weken na afloop van de bezwaartermijn beslissen, uiterlijk op 20 augustus 2024, maar heeft dit niet gedaan.

Eiseres stelde het UWV op 22 augustus 2024 in gebreke, waarna het UWV de ingebrekestelling op 23 augustus 2024 ontving. Na het verstrijken van twee weken zonder besluit stelde eiseres beroep in bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist.

Het UWV gaf aan dat een tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt, waardoor het niet kon aangeven wanneer het besluit genomen zou worden. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om het besluit alsnog te nemen, vanwege het belang van een zorgvuldige heroverweging.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet het UWV het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak is zonder zitting gedaan en openbaar gemaakt op 13 januari 2025.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7896

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. A.M. Wuisman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 11 oktober 2023 tegen de beslissing van het UWV van 21 september 2023 waarin de loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet wia) van [naam] , een (voormalig) werknemer van eiseres, per 22 november 2023 verandert in een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet wia.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 11 oktober 2023. Het UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. [2] Het UWV heeft de termijn in overleg met eiseres verlengd tot en met 20 augustus 2024. [3] Het UWV had dus uiterlijk op 20 augustus 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het UWV op 22 augustus 2024 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 23 augustus 2024 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.

Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?

4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 6 december 2024 heeft het UWV uitgelegd dat er vanwege een tekort aan verzekeringsartsen een achterstand is opgelopen bij het plannen van de sociaal-medische onderzoeken. Het UWV geeft aan geen zicht te hebben op wanneer er een besluit genomen zal worden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige heroverweging. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 13 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 112, eerste lid, van de Wet wia.
3.Op grond van artikel 7:10, vierde lid, onder b, van de Awb.