ECLI:NL:RBZWB:2025:1492

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
02-336282-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor onterechte inverzekeringstelling en proceskosten

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot schadevergoeding van een gewezen verdachte die onterecht in verzekering was gesteld. Het verzoek betrof een vergoeding van € 130,00 voor de inverzekeringstelling, € 205,22 voor kosten rechtsbijstand en € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

De officier van justitie erkende dat de kosten voor inverzekeringstelling reeds in een andere zaak waren toegekend, maar dit stond de toekenning in deze zaak niet in de weg. De rechtbank achtte gronden van billijkheid aanwezig en wees het verzoek toe conform de LOVS-uitgangspunten.

De rechtbank bepaalde dat zowel de dag van aanvang als de dag van beëindiging van de inverzekeringstelling als volledige dagen worden vergoed, ook als deze op dezelfde dag vallen. De totale vergoeding van € 675,22 wordt toegekend en zal worden overgemaakt op de rekening van de gemachtigde advocaat.

De beslissing werd genomen op 4 maart 2025 en is openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding toe en kent een bedrag van € 675,22 toe voor onterechte inverzekeringstelling en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-336282-24
rk-nummers: 24-028378 en 24-028379
Beslissing op de verzoeken ex artikelen 533 en 530 Sv van:
[de verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ([land])
woonplaats kiezende ten kantore van mr. J.C.W.L. Grootjans, Houtkaai 7, 4331 JR Middelburg

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 14 november 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 130,00, € 130,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
 het op 14 november 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 205,22, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 23 oktober 2024;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich in de schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen met uitzondering van de kosten wegens ondergane inverzekeringstelling omdat die kosten al toegewezen zouden zijn in een andere zaak.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de behandeling vastgesteld dat er een relatief gering verschil bestaat tussen het standpunt van verzoeker in het verzoekschrift en de reactie van de officier van justitie. Hierover is contact opgenomen met de advocaat en de officier van justitie. Zij hebben op voorhand schriftelijk hun standpunten kenbaar gemaakt. De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt in welke zaak de kosten voor de inverzekeringstelling al toegewezen zouden zijn. Verzoeker en officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoeker en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
Op 18 februari 2025 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie, mr. T.C.M. Hendriks, aanwezig. Verzoeker en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering heeft doorgebracht. Uit de toelichting van de officier van justitie volgt dat er inderdaad eerder een vergoeding voor ondergane inverzekeringstelling is toegekend, maar dat deze inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in een andere zaak. Om die reden staat die toekenning niet in de weg aan een toewijzing van de schadevergoeding die in dit verzoekschrift is verzocht.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen en geëindigd op één en dezelfde dag en beperkt is gebleven tot enkele uren wordt er naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
Verzoeker heeft
1 dag in verzekeringdoorgebracht op het politiebureau. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau.
De gevraagde vergoeding is conform de LOVS-uitgangspunten. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van
€ 130,00.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van
€ 205,22is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van de verzoekschriften wordt het forfaitaire bedrag van
€ 340,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 130,00, bestaande uit een vergoeding voor de schade door de ondergane inverzekeringstelling
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 545,22, bestaande uit:
- € 205,22 aan kosten van rechtsbijstand en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
wijst de verzoeken voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 675,22zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [kantoor], onder vermelding van “[de verzoeker] 24-028378 en 24-028379”.
Deze beslissing is op 4 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2025.
Mr. Fanis en mr. Van Eekelen zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.