ECLI:NL:RBZWB:2025:1374
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tenuitvoerlegging voorwaardelijke ISD-maatregel wegens oplegging onvoorwaardelijke ISD
In deze strafzaak stond de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel centraal die eerder aan verdachte was opgelegd. De officier van justitie vorderde aanvankelijk de uitvoering van deze maatregel, maar stelde ter zitting dat indien een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd in een nieuwe strafzaak, uitvoering van de voorwaardelijke maatregel niet opportuun is.
De rechtbank constateerde dat verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig had gemaakt aan het overtreden van de bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke ISD-maatregel. Dit zou normaliter leiden tot tenuitvoerlegging van de maatregel. Echter, vanwege de gelijktijdige oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van 2 jaar in een andere strafzaak, achtte de rechtbank het niet passend om de voorwaardelijke maatregel alsnog uit te voeren.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging af en wijzigde zij de bijzondere voorwaarden, zodat deze komen te vervallen. De bijzondere voorwaarden betroffen onder meer meldingsplicht bij de reclassering, medewerking aan persoonlijkheidsonderzoek en behandeling, controle op middelengebruik en financiële begeleiding.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda op 11 maart 2025, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis tekenden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel af en laat de bijzondere voorwaarden vervallen vanwege oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel.