Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
- de man en [minderjarige] hebben één keer in de week één uur omgang met elkaar;
- de omgang tussen de man en [minderjarige] vindt plaats op een neutrale locatie in de buurt van waar [minderjarige] woont;
- de omgang wordt begeleid door [hulpverlener 2] ;
- de omgang start zo snel als mogelijk;
- de omgang is alleen tussen de man en [minderjarige] . Er zijn verder geen familie en/of vrienden van de man aanwezig;
- de casusregisseur vanuit de gemeente Vlissingen volgt de begeleide omgang op en bepaalt of en zo ja, wanneer en op welke manier er wordt uitgebreid;
- de vrouw stuurt één keer in de maand, op de eerste dag van de maand, informatie naar de man betreffende belangrijke aangelegenheden omtrent [minderjarige] . De vrouw neemt [hulpverlener 2] mee in de mailwisseling en kan waar nodig met [hulpverlener 2] bespreken wat er in de mail komt te staan;
- de man betaalt, via de omgangsbegeleider van [hulpverlener 2] , 200 euro contant aan de vrouw voor de kosten van de kat;
- de spullen van de vrouw die bij de man liggen, moeten naar de vrouw komen. Dit regelen de ouders zelf via de casusregisseur van de gemeente Vlissingen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
- Welke omgangsregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?