ECLI:NL:RBZWB:2024:8585

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
13 december 2024
Zaaknummer
10835928 - MB VERZ 23-681
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard tegen verkeersboete wegens ontbreken gedragsvaststelling

Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens rijden op het trottoir op de Academiesingel te Breda op 18 juni 2022. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

Op de zitting van 19 augustus 2024 verschenen noch betrokkene noch zijn gemachtigde. Namens het Openbaar Ministerie verscheen een zittingsvertegenwoordiger. De kantonrechter overwoog dat volgens artikel 5 van Pro de Wahv de verbalisant de bestuurder staande moet houden om diens identiteit vast te stellen, tenzij er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.

In deze zaak had de verbalisant afgezien van staandehouding omdat hij op de fiets was, maar dit werd door de kantonrechter niet als een gegronde reden gezien. Hierdoor was niet komen vast te staan dat de gedraging was verricht. De boete werd daarom ten onrechte opgelegd en het beroep werd gegrond verklaard.

De beschikking en de beslissing van de officier van justitie werden vernietigd. Het betaalde bedrag aan zekerheidstelling moest worden terugbetaald. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €749,50 toegekend aan betrokkene.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gegrond verklaard en de boete vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10835928 \ MB VERZ 23-681
CJIB-nummer : 1062 5422 5028 5811
uitspraakdatum : 19 augustus 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

gemachtigde: mr. B. de Jong (Skandara)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 augustus 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Academiesingel te Breda op 18 juni 2022 om 01:54 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. De enkele verklaring dat de verbalisant op de fiets was, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gelet op de jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat de enkele verklaring dat de verbalisant op de fiets was, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.

Overwegingen

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd. Volgens het zaakoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat hij op de fiets was. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit geen gegronde reden om van staandehouding af te zien. De boete is dan ook ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder.
Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 624,- = € 312,00
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- =
€ 437,50
totaal € 749,50

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 749,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. de Brouwer, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: