De strafzaak betreft een omvangrijk onderzoek (BRZ 408) naar een criminele organisatie rond meerdere coffeeshops, met verdenkingen van witwassen, valsheid in geschrift, oplichting, belastingfraude en overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek startte in 2011 en leidde tot meerdere verdachten en internationale vervolgingen, waaronder een zware veroordeling in Thailand.
Na jaren van procedurele stappen en regiezittingen bereikten het Openbaar Ministerie en de verdediging in juni 2023 een overeenkomst tot buitengerechtelijke afdoening, waarbij verdachte onder meer een geldboete betaalde en aan andere verplichtingen voldeed. Deze overeenkomst werd volledig uitgevoerd, waarna het OM de niet-ontvankelijkheid in de verdere vervolging vorderde wegens het ontbreken van strafvorderlijk belang.
De rechtbank erkent de uitzonderlijke aard van de zaak, de lange duur en de complexiteit, en weegt het belang van verdachte, OM en samenleving. Hoewel de rechtbank geen wettelijke bevoegdheid ziet voor dergelijke afdoeningen tijdens een lopende strafzaak, concludeert zij dat het strafvorderlijk belang ontbreekt en verklaart het OM niet-ontvankelijk. De rechtbank benadrukt dat deze werkwijze niet zonder wettelijke basis herhaald mag worden en dat procesafspraken de juiste weg zijn.